(1912) (Barg.) betrappen; arresteren; pakken. Syn.: knippen*.
• Toen werd dat knulletje netjes opgewacht, en in de Raamstraat geschaakt, zoo gezegd, voor 'n vechtpartij. (M.J. Brusse: Het rosse leven en sterven van de Zandstraat. 1912)
• Krijge se 'n flèr. Bom!... soo'n baf hè... reuse! Maar... maar je mot eefegoed diep grabbele, diép haur!... aârs is 't louw loene... en heulegaar... heulegaar ònder de serrekies... binne se geschaakt... (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922)
• Om even op zoo’n aangelegenheid door te gaan (die uit den aard der zaak in hun kringen nogal veel veelvuldig voorkomt), zeggen zij b.v. dat Gerrit was geschaakt (aangehouden) door Russen (rechercheurs), die hij eerst voor groenen (onnoozelen) onder de prinsery (politie) had aangezien. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 06/05/1925)
• Die vuile rus die hem schaakte en hem naar de prinsemarij bracht, smoesde dat hij voor meneertje of de goochemerd toch zou kotsen… (Nieuwsblad van het Noorden, 03/10/1931)
• Op de Armagnac hebben ze 'm met 'n neger geschaakt in de bunker. (Jef Last: Een huis zonder vensters. 1935)
• Als Kraantje wordt geschaakt, is ie er gloeiend bij. Desertie wordt zwaar gestraft, tenzij je kans ziet je uit eigen beweging binnen veertien dagen te melden bij het onderdeel waartoe je behoort. (Fr. Van de Vrande: Grensleven. 1936)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• (Paul Van Hauwermeiren: Bargoens zakwoordenboek. 2011)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)