Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 23-03-2021

rammelen

betekenis & definitie

(16e eeuw) (inf.) geslachtsgemeenschap hebben. Oorspr. gezegd van zoogdieren (hazen, konijnen), waarbij het mannetje ram genoemd wordt; thans ook van geile of wulpse mannen. Zie ook: rammelaar*.

• (Corn. Kilianus: Etymologicum teutonicae linguae. 1777, herdruk uitgave 1599)
• (Guido Gezelle: Loquela. 1881)
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)

< >