Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 22-02-2023

Pruis

betekenis & definitie

(19e eeuw) (vnl. Antwerpen, scheldw.) landloper; woeste kerel.

• Pruis, znw., m . — In 't Z . der Kemp. geeft men dien naam aan alle landioopers en bedelaars van verdacht voorkomen, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren, waarschijnlijk omdat er nogal veel Pruisen onder zijn. Daar kwamen twee pruisen aan de deur om ' en aalmoes. De champetter hee' ne' pruis in den bak gezet, die geen papieren en had. (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. 1900)
• Pruis, (gew. in Zuidn.) landloper, bedelaar. (Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal. 1950)
• Pruis betekende zoveel als landloper. (Naamkunde. Jaargang 4. 1972)
• Slechte karakters (en scheldwoorden): Habschar, vetlap, motzak, mottigen digo, sjanfoeter, sloeber, loebas, schobbejak, bitskoemmer. Lakkere, luiszak, luiskremer, rotzak, kwaaie penning, heurk, oesem, does, steinezel, kniezer, hartvreter, Pruis, Isegrim, knorpot, bosbeer, koeion, flauwerik, Judas. (Jack De Graef: Het Groot Woorden- en Liedjesboek over het Antwerps dialekt. Vierde aangevulde druk. 1981)
• Pruis: Landloper, bedelaar, woeste kerel. Vanwege de reputatie van barbaarsheid van Pruische soldaten omstreeks 1815. In ‘Kortrijk 70 jaar terug’ uit 1949 schrijft A. Peel over die tijd: ‘De Pruisen. Een bende sloebers die meer hun achterste waschten dan hun gelaat’. BEW 427. (Casper van de Ven: De Brabantse spot- en scheldnamen. 2013)