(1752) (Barg.) politieagent.
• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• (J.G.M. Moormann: De geheimtalen. 1934)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (Henry Roskam: Boeven-jargon. 1948)
• Het culturele tijdschrift Dux wijdt zijn laatste nummer geheel aan de politie. Grondig als Dux is heeft het ook een lijst van benamingen voor de zogenaamde opsporingsambtenaar opgenomen. In alfabetische volgorde: Adje, bink, blauwe, bout, bullepees, dekkel, diender, glimmende gassie, glimmerik, glimmert, govie, grandiger, hoed, hoek, jato, jut, juut, kallebak, kip, klabak, klabbes, knikker op het dak, knobbelsmeris, knopsmeris, koper, koperen bout, krauter, lamp, latkip, oom agent, poedel, poets, prins, rus, schranderige, siene, sjien, sjouter, smeris, soemkoef, stille tuut, weet, wout. Deze lijst heeft geen wetenschappelijke pretenties. (De Volkskrant, 02/05/1968)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)