Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 15-03-2021

potje los zijn

betekenis & definitie

(1958) (vnl. Rotterdam, inf.) blut zijn. Herkomst onbekend. Potje wijst wellicht op een pot met geld. Syn.: afgebrand*; arrempie-af*; broke*; geen cent* te makken; aan de gallemieze*; hempie*; geen poser*; rut*; skeer*.

• In Woerden pleegde hij een inbraak om zijn „uitgaanskas” te versterken, maar in Utrecht aangekomen besteedde hij dermate grote bedragen aan „wijntje en trijntje”, dat hij bij zijn arrestatie „potjelos” was. (Arnhemsche courant, 14/05/1958)
• Meneer, we hebben niks meer. Uitverkocht. Potje-los. (Het vrije volk, 08/05/1970)
• Als die grote jongens of rijke weduwes aan het spelen slaan, heb je vaak dat ze helemaal potjelos gaan. Echte gokkers willen dan toch doorgaan. (Nieuwsblad van het Noorden, 11/12/1978)
• In juli ging ik weg, augustus, september, oktober, toen was ik alweer potjelos! (J.A. Deelder: Bep Van Klaveren. De Dutch Windmill. 1980)
• Laat het. maar bliksemsnel oogsttijd worden, want ik ben onderhand potje-los. (Het vrije volk, 05/04/1984)
• Potjelos: uitverkocht; platzak. (Jan Oudenaarden: De terugkeer van Opoe Herfst. 1986)
• Ondanks dat ik mama steeds hoor zeggen dat ze ‘potje los’ is van mijn dieet, heb ik toch dat dure serviesje gekregen. (Astrid van der Star: Van lief naar lef. 2007)
• (Frits Bom: De havenman. Rotterdams voor gevorderden. 2011)
• Ik had een week met d'r gevoosd, zat op een terras met vrienden en zeg: jongens, ik ga trouwen Ik was niet meer te houden. Een half jaar later was ik potje los. (Jan D. Swart, Johan Derksen: Kanjers, culthelden en engnekken. 2014)
• ”k Wilt “t goedmaken. “k Hebt wat gekierd van je. “k Zal je terugbetale, maar niet derrek. Ben nu potje los. (Dick Scholten: Betaalde troost. 2018)

< >