Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 29-04-2026

potje potje

betekenis & definitie

(1981) (Ned. vnl. jeugd) leuk; voor elkaar.

• ’s Middags nog overhandigde Van Breukelen, op de stoep van het stadhuis, welgeteld 66.549 handtekeningen van sympathisanten aan wethouder Cees Pot. Terwijl zo’n 200 supporters bij herhaling de komende karnavalskraker “We geven het niet op” inzetten, verklapte de raadsman zijn belofte voor een grootse hulpactie aan FC Utfcecht. „Potje-Potje”, jubelde de menigte in de binnenstad vervolgens. (Algemeen Dagblad, 24/12/1981)
• Potje potje. Aardig, voor elkaar. ‘Toen had ik voor het eerst iets van potje potje, dat zou leuk zijn.’ (Marc Hofkamp & Wim Westerman: Aso’s, bigi’s, Crimi’s. Jongerentaalwoordenboek. 1989)

< >