Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 12-01-2024

poepen

betekenis & definitie

1) (19e eeuw) (inf.) zijn behoefte doen; zich ontlasten. Klanknabootsend gevormd. Als aantekening van Guido Gezelle: “Poeppen, gevoeg doen (te Honsbeke). Men zegt het van kleine kinders.” In de zin van ‘een wind laten’ reeds opgetekend in de 16e eeuw (reeds bij Corn. Kilianus, Etymologicum teutonicae linguae). In deze betekenis wordt het in Vlaanderen nog nauwelijks gebruikt, in tegenstelling tot Nederland (waar het een eufemisme is voor schijten*).

• poepoe, euphem. voor: cacare; ’t kind mout nog poepoe, (ook: op potje), ook Oostfr. (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895)
• Als hij behoorlijk loopen kan en oprecht beloofd heeft nooit meer in bed te zullen piesen of in zijn broek te poepen, krijgt de jongen op Sint Nikolaas zelf een fiets, een kleintje, met banden zoo groot en zoo dik als kerstkransen. (Maurits Dekker: Amsterdam. 1931)
• Maar 't moest wel erg stiekem gebeuren, niemand mocht kijken, wat verder alleen met nare dingen zoals poepen het geval was. (Han B. Aalberse: De liefde van Bob en Daphne. 1955)
• De elementaire levensverrichtingen staan evenzeer bloot aan een invasie van onnette woorden; slapen: pitten; eten: vreten; drinken: zuipen; braken: kotsen; transpireren: zweten; veesten: ruften; of een wind laten: een scheet laten; caccare: poepen; urineren: zeiken. Men ziet reeds aan de door mij gebruikte 'normale' woorden, waar hier de grote lacunes, de instortingsgebieden in ons idioom liggen. (J.A. Huisman: Nette en onnette woorden. 1962)
• Ik geloof dat jij tussen de striken hebt zitten poepen. (Jan Wolkers: Terug naar Oegstgeest. 1965)
• Die bij alles wat ik beweerde zei: ‘Ga nou gauw poepen, ga nou gauw naar ’t toilet.’ (Jan Wolkers: Turks Fruit. 1969)
• Er zat vast een keiharde reutel aan het eind die, als ie eindelijk kon poepen, z’n reet zou scheuren. (Mensje van Keulen: Bleekers zomer. 1972)
• Ze vonden hem in de buurt van de Liede bij een boom..., 't was net of 'ie zat te poepen,’ huilde Willem. (Olaf J. De Landell: De porseleinen spiegel. 1976)
• ‘Ze poepen,’ schreeuwt ze terug, ‘die beesten poepen! Er zit ammoniak in vogelpoep.’ (Frans Kellendonk: Letter en geest. Een spookverhaal. 1982)
• En misschien staat het wel vast dat ik vijftienduizend keer in mijn leven zal poepen. (Mensje van Keulen: Engelbert. 1987)
• De wc is bij de hospita. Na elf uur 's avonds mag ik er niet meer op. Als ik na elven moet poepen, doe ik het in een krant. (Lisette Lewin: Voor bijna alles bang geweest. 1989)
• Nonnen poepten toch helemaal niet, de binnenkant van hun lichaam was zo wit als de rand van hun kappen, roze misschien, zoals hun tandvlees, maar geen bruine materie, geen kwalijke gassen hielden in hun maagdelijke binnenste huis. (Oscar van den Boogaard : De heerlijkheid van Julia. 1995)
• poepen ‘een wind laten’; klanknabootsend, de huidige betekenis is pas in de negentiende eeuw genoteerd. (Nicoline van der Sijs in Onze Taal. Jaargang 72. 2003)
• Gasten sterven door overdoses drugs, hartaanvallen of ongelukjes bij SM-seks, keurige zakenvrouwen poepen ongegeneerd in hun bed en de leden van een popgroep die te veel cocaïne hadden gesnoven en daardoor hevig aan de diarree waren geraakt, veegden hun kont af aan de gordijnen. (Daphne Deckers: Decksels. 2005)
• Al drie dagen had ik niet gepoept en het gevoel in mijn buik werd steeds benauwder. (René van Delft: Zolang het duurt. 2007)
• Dennis laat iedereen weten dat hij alweer moet poepen en verdwijnt opnieuw de wc in. (Mark Verver: Ik heb nergens spijt van. Het leven van Dikke Denis. 2008)
• Anna is een meisje dat niet poept. Want droommeisjes poepen niet. (Wiegertje Postma: Vrouwen schrijven niet met hun tieten. 2016)
• Zij en poep waren twee onverenigbare grootheden. Hij kon zich niet eens voorstellen dat zij zelf stront produceerde. Niet omdat vrouwen niet zouden poepen, hij was niet achterlijk, maar meer omdat hij zich niet kon indenken dat zij zich daadwerkelijk zou ontlasten. (Roos Schlikker: Huisje boompje beest. 2017)
• Daar, in de berm naast het bord, trok de rozetruidrager van de Giro d’Italia zijn broek omlaag om te poepen. (Thijs Zonneveld: Het Panini-album. 2018)
• In de badkamer kwam ik mijn jongste zoon tegen. Ik strekte mijn armen al uit naar zijn pezige lijfje voor een feestelijke omhelzing, toen hij met een grafstem mededeelde dat hij ‘heel nodig moest poepen’. (Sylvia Witteman: Boodschappen zonder leesbril. 2019)

2) (19e eeuw) (Vlaanderen, plat) copuleren, neuken. De mededeling ‘Ik ga even poepen’ mag dan in Nederland aanvaardbaar zijn, in Vlaanderen lokt het op zijn minst gegniffel uit. Oorspr. ‘poppen’, met de poppen spelen en vandaar: strelen, het minnespel beoefenen. De overgang naar ‘poepen’ is wellicht te verklaren door de associatie met ‘poep’ (achterste). Een ‘poepe’ was volgens Guido Gezelle vroeger ook een term voor een prostituée. Een bekende platte zegswijze in Vlaanderen: 't Zijn lappen, poepen met een slappe. Zie ook: scheefpoepen*.

• Als de Schele Vanderlinde zat in de klas,
dan poepte hij in een lampeglas
als Schele Vanderlinde ne poepslag dee,
dan poepten al de geburen mee. (Willem Elsschot: De Schele Vanderlinde. Studentenlied begin 20e eeuw)
• Opeens riep een flink wijf tegen me: 'Allé manneke, komaan, moette gij een keertje poepen?' (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968)
• Woest hieven ze hun pint bier, terwijl ze met de andere hand een meid in de kont knepen. ‘Hebt ge lust te poepe?’ (Johnny van Doorn: De geest moet waaien. 1977)
• Als ge dan toch parfors wilt poepe, doeget dan in m’n olleke, zei ze en haalde metterdaad een tube uit haar handtas, ging op ellebogen en knieën liggen, bracht het spul aan en voor het eerst in mijn leven had ik het hemelse gevoel een reu te zijn die zo snel mogelijk een loopse teef dekt…. (Jef Geeraerts: Gangreen 3. Het zevende zegel. 1977)
• Spring op tijd van den tram bij het poepen. (Prof. Dr. Stefan Lievens: Graffiti. Handschriften op muren en toiletten. 1984) (advies voor coïtus interruptus)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• … jef is getrouwd met germaine en gust met marie-louise en eddy met linda en dat volk van abdel van abdul van mohammed van mustafa poept en poept en kweekt en kweekt tot de hele seefhoek ervan uit z'n voegen barst en de autochtonen hun biezen pakken… (J.M.H. Berckmans: Het zomert in barakstad. 1993)
• (Claire van Putten: Antwerps zakwoordenboek. 1993)
• (Tony R. De Bruyne: Soldatentaal 1914-1918. 1994)
• Verhalen over blonde Heidi uit het café. Poepen. Vogelen. Pijpen. Beffen. (Eriek Verpale: Gitta. 1997)
• (Frans Debrabandere: Kortrijks woordenboek. 1999)
• Zou het nu waar zijn of niet dat Druppel nooit van zijn leven een wijf gepoept heeft? (Herman Brusselmans: Het einde van mensen in 1967. 1999)
• (Jack de Graef: Het Antwerps dialect van dezekestijd tot in de 21e eeuw. 1999. 11e druk)
• … en Machteld Van Vlaanderen, nooit of nooit werd zij gepoept. (J.M.H. Berckmans: Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace. 2000)
• Om te poepen met veel schuim doe dan Persil in je pruim. (Walter van den Broeck: Een lichtgevoelige jongen. 2001)
• Ge zijt toch niet aan het poepen met het vrouwtje, want anders bel ik straks nog wel eens terug? (Dimitri Verhulst: De helaasheid der dingen. 2006)
• Ik zal ’t u zeggen: ze hebben met hun moeder gepoept.
De verpleegster lacht niet; zij behoort al tot een generatie die meer ‘neukt’ dan ‘poept’. (Luuk Gruwez: Krombeke retour / Deerlijk Retour. 2011)
• Poepen is neuken in het Vlaams en Ilse Uyttersprot, de burgemeester van het Belgische Aalst, heeft sinds een week de bijnaam de Torenpoeper omdat er op YouTube onder die titel een filmpje circuleert waarop zij al poepend op een Spaanse toren staat. (Youp van ’t Hek: Klein gelijk. 2012)
• Alsof poepen op een emmer zo jn was. (Christel Jansen: De woonschool. 2012)
• Die scheiding tussen liefde en seks, dát is pas onzin! Alsof voor u ontrouw niet precies daar begint waar uw Isabelleke met een ander zou gaan poepen. (Marc Reugebrink: Het Belgisch huwelijk. 2014)
• Welk taalgebruik is in bij jongeren? Lars Van Gijsel (14), Merksem: "Wij zeggen: poepen. Ik weet het, dat is niet echt romantisch. Het woord neuken gebruiken wij ook. En jappen. 'Ik heb gisteren gejapt.' Of ook: 'Ik heb gisteren pacha gedaan.' (Het Laatste Nieuws, 06/08/2014)
• Ze had na haar shift in ’t Glazen Straatje altijd tijd voor mij, én goesting. In het begin poepte ik haar gelijk een razende zot, om mij af te reageren. (Louis van Dievel: Landlopersblues. 2016)
• (Johan De Caluwe, Veronique De Tier, Anne-Sophie Ghyselen, Roxane Vandenberghe: Atlas van het Dialect in Vlaanderen. 2021) p. 140