Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 02-03-2021

pleur

betekenis & definitie

1) (1970) (sold. en zeem.) (minderwaardige) koffie. Cadipleur: koffie uit de kantine. Rijkspleur: koffie door de keukens verstrekt bij de maaltijden.

• een bakje sap, pleur halen (koffie drinken). (Onze Taal. Jrg. 39. 1970)
• (Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978)
• Doe me nog een bakkie pleur. (NRC Handelsblad, 28/07/1979)
• 'Kleer op', 'teer op' en 'het bakkie pleur' (koffie) zijn nu zeker niet meer typisch Rotterdams te noemen. (Nederlands dagblad, 09/01/1985)
• In Rotterdam kun je te horen krijgen dat een brood zo oud is 'als opoe Herfst', en je kunt er 'een bakkie pleur' (koffie) krijgen. (Trouw, 07/02/1985)
• (Fré Harmsen: Van baroe tot branie. Termen en zegswijzen bij de Koninklijke marine. 1991)
• (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991)
• In de koffietent rechts op het toneel worden, bij „een bakkie pleur en een kano", de wereldproblemen in een handomdraai geregeld. (De Volkskrant, 11/05/1992)
• (Leen Verhoeff: Soldatenwoordenboek. 1995)
• Italianen, Spanjaarden en Hollanders daarentegen stonden in rijen voor een bak verse pleur te wachten, want het laffe spul dat de Amerikanen in die tijd nog dronken, was afschuwelijk. (Mart Smeets: Mijn Amerika. 2017)

2) (2005) (jeugd) een hoop, veel: 'een pleur pennen'.

• (Lucie Sedlácková: Neologismen in het Nederlands: de hedendaagse turbotaal. Een klein onderzoek naar huidige woordvormingsprocédés. 2005)