Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 19-07-2023

pispot

betekenis & definitie

1) (19e eeuw, vero.) (scheldw.) bisschop. O.a. in het Geuzenliedboek.

• Evenals in het Geuzenliedboek (waar de hostie Jan Melis in die halve mane heet, Alva: Alf, bisschoppen: bijtschapen of pispotten) doen ook in dit anti- Geuzenliedboek de gewone woordspelingen opgeld.... (Willem Jan Cornelis Buitendijk: Cluchtich verhael van eenen gepredestineerden Cappuyn. 1942)

2) (1975) (sold.) helm. Ook algemeen voor bromfietshelm.

• Het werd een belachelijke scène. Want in plaats van de helm domweg op zijn hoofd te zetten of ermee naar zijn kamer te verdwijnen, bleef Elmer als aan de grond genageld staan en staarde in eerbiedige bewondering naar het geblutste materiaal.
‘Nou, veel plezier met die pispot.’ (Louis Ferron: Het stierenoffer. 1975)
• Kerdju, eers kaerels op motorfietse. - Mit piespöt op de kop zach Wulmke, mer det waar ònzin, det ware helme, en dao efkes later dao kwame de wages. (Max de Bruin, Eugène Coehorst, Paul C.H. van der Goor, Jan Notten, Lou Spronck: Mosalect. Bloemlezing uit de Limburgse dialectliteratuur. 1976)
• (Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978)
• Wel zag ik een kerel die een soort zwarte pispot met twee zijkleppen op z'n kop had. (Joop Waasdorp: De verhalen. 1989)
• Een militair kan nog in een loopgraaf gaan liggen maar zo'n cameraman, altijd tussen strijdende partijen, met zo'n pispot op zijn hoofd en altijd, laten we zeggen meestal dronken, en elders achter de wijven aan, die lopen gevaar. (het Parool, 23/09/1992)
• De ware liefhebber, niet met een integraalhelm maar met een pispot getooid, voert zijn bromfiets niet op. (Brabants Dagblad, 13/07/1998)
• Thea Philipsen uit Lomm zoekt voor haar man (die een bromfiets uit 1960 heeft) een Bromfietshelm uit de jaren vijftig, zestig (men noemt zo'n helm ook wel eens een pispot). (Dagblad de Limburger, 15/02/2010)

3) (1999) (sch.) vilten herenhoed met ronde bol. 'Zijn pispot opzetten'.

• Wat vindt hij op zijn kamer? Een hoed van slecht gespuis. 'Wiens hoed is dat, wiens hoed is dat, Wiens hoed mag dat toch zijn?' - 'Man, dat is eenen pispot, Die moeder mij gezonden heeft.' (Albert Boone: Het Vlaamse Volkslied in Europa, Volume 1. 1999)

4) (1500) (inf.) urinepot; kamerpot. 'In de pispot gewassen en in de schoorsteen gedroogd': gezegd van iemand die er erg goor, smerig uitziet.

• Doet zoo, schik alle dingen op zen stee, en zet de pispot in et trezoor. (Jan Vos: Klucht van Oene. 1642)
• Wij beleven wonderlijke tijden, zei Joost de visscher, en hij zag eene garnaal in een' pispot zwemmen. (Dietsche Warande. Jaargang 4. 1858)
• (K. ter Laan: Nieuw Groninger Woordenboek 1924-1929)
• Ben ik meer voor je dan de piespot waarin je je behoefte doet? (Abel J. Herzberg: Drie rode rozen. 1975)
• 'Ons actiecomité heeft besloten u uit te roepen tot drol in de pispot van het jaar 1971! [...]. Pakt u hem voorzichtig uit, want de pispot is van chocola en de drol van zacht fondant.' (Jan Blokker: Ben ik eigenlijk wel links genoeg? 1977)
• Waar ik in de keuken moest eten, waar ik - toen er nog geen wc was - jarenlang de pispotten heb moeten legen? (Annie M.G. Schmidt: Wat ik nog weet. 1992)
• Als ze aangekleed waren en hun schoenveters hadden gestrikt liepen ze met hun volle of halfvolle pispotten door de deur naar buiten. (J.M.H. Berckmans: Geschiedenis van de revolutie. 1977. Herdruk als Brief aan een meisje in Hoboken. 1994)
• (Frans Debrabandere: Kortrijks woordenboek. 1999)
• Op een ochtend had hij zijn pispot leeggekieperd door het raam, zoals hij dat thuis ook altijd deed. (Ton van Reen: Gestolen jeugd. 2001)
• (Paul Spapens, Gerard Steijns, Wil Sterenborg & Frans Verbunt: Goedgetold. Diksjenèèr van de Tilbörgse taol. 2004)
• Hij gedraagt zich alsof hij onschuldig is, zo arrogant zit hij naast de pispot in de hoek, de plaats voor nieuwkomers. (Tessa Leuwsha: De Parbo-blues. 2005)
• (Lex Reelick, Cor Swanenberg, drs. Erwin Verzandvoort & Michel Wouters: Bosch woordenboek. 2009)
• Die pispot zal ook wel door een ander in de plee worden leeggekieperd … (Luuk Gruwez: Krombeke retour / Deerlijk Retour. 2011)

5) (18e eeuw) (zeem.) (meerv.) twee touwen op de benedennok van de bezaansroede.

• pispotten, z.n.v.mv. – De brassen van de Bezaansroede. (Jacob van Lennep: Zeemans-woordenboek. 1856)
• Pispot: bras van de bezaansroede, hgd. Pispot, de. Pispot, zw. pispotta, russ. pispot, píspod. (Jacobus van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)