(1973) (< Am.-Eng., sound, soul of Philadelphia) (muz.) latere stroming in de soulmuziek die in de late jarenzestig en begin jaren zeventig erg populair was. Kenmerkend waren naast de funkinvloeden o.a. kale bastonen, doffe drumbeats, gospelkoortjes en ijle trompettonen. Het genre lag aan de basis van de disco(muziek).
• In het drukbevolkte Amsterdamse Concertgebouw kon het Nederlandse publiek gisteravond voor het eerst „live" kennis maken met een aantal vertegenwoordigers van de zgn. Philly-sound, een stroming in de soulmuziek die in Philadelphia zijn oorsprong vond. De belangrijkste songschrijvers van deze muziek zijn Ken Gamble en Leon Huff. (Het Parool, 19/12/1973)
• Tot brakens toe hebben de discjockeys de laatste weken geprobeerd om iets nieuws te lanceren. De Phillysound. Dat moest het worden voor dit jaar. Zelden heb ik zo schaamteloos iets horen pluggen als deze enigszins gerestaureerde kruising tussen soul en Tarnla Motown. En wat een vervelende muziek! Nee, als de Philly-sound het moet gaan worden, dan lijdt de popmuziek danig aan bloedarmoede. (Tubantia, 09/01/1974)
• Win een elpee met de Phillysound. (Limburgsch dagblad, 24/05/1975)
• De Phillysound steunt vooral op een uitstekende wisselwerking tussen de zangeres met 't suikerspinkapsel (haar privëkapster besteedt er per dag anderhalf uur aan) en haar zeer gedisciplineerde begeleiders. (Het vrije volk, 04/07/1983)
• De nieuwe single `Digging your scene' heeft een funky `Phillysound'. (Vinyl, mei 1986)
• Ik bedoel, om een groep te kunnen plaatsen word je altijd met je voorgangers vergeleken. Maar de oude Philly-sound heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe, en die brengen wij. (De Telegraaf, 21/10/1992)
• De wording van de Philly Sound is goed te volgen op de eerste van de drie cd's uit de box. (NRC Handelsblad, 05/12/1997)