(1929) (scheldw.) zwakkeling; week persoon.
• Pappe zou hij moeten heeten, enfin een combinatie welke zich niet slecht laat symboliseeren als die van een tang en een vaatdoek, dit huwelijk van een haaibaai en een papvent ... (Roeping. Volume 8. 1929)
• Henk speelde al, toen Corry een begeerige blik op de baan durfde slaan. Bah, wat een zoete jongen, altijd zit hij bij zijn nichtjes. Melkkind. Papvent. Kleine, zoete jongen. (Cornelis Jan Kelk: De dans van jonge voeten. 1932)
• Je staat op mijn lijst om een papvent te vervangen, die gisteren ziek geworden is. (André Demedts: De levenden en de doden. 1970)
• Behalve Foma zijn er geen grappige figuren in Het Dorp te vinden of het moest meneer Bachtsjejev zijn, die van Foma een keer het verwijt kreeg in plaats van de maatschappij te dienen maar thuis te zitten en op zijn accordeon te spelen. Hij vindt zichzelf een papvent. (Maatstaf. Jaargang 29. 1981)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)
• En die papvent zullen ze proberen om te kopen... (Hugo Claus: Alle verhalen. 2019)