(1906) (Barg.) soldaat. Vgl. blauwkiel*; coloradokever*; duivelsspecht*; etappehengst*; filet*; Fritz*; heikanter*; Heinrich*; Itakker*; Jan* Punt; Jan* Soldaat; kaasjager*; kwattasoldaat*; de man*; panjot*; pleun*; poilu*; repatter*; roetjakstamper*; roodrok*; rooinek*; sjallef*; snoek*; soepsoldaat*; spandrie*; stampvoeter*; strontboer*; Tommy*; transie*; zandtrapper*.
• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• (J.G.M. Moormann: De geheimtalen. 1934)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (Henry Roskam: Boeven-jargon. 1948)
• (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)