(1996) (demografie, sociologie) (opa + Eng. boom. Naar analogie van babyboom) (fig.) vergrijzing; het snelle toenemen van een bevolking die op pensioen gaat. De term verwijst naar de grote generatie geboren na W.O. II (de babyboomgeneratie) die inmiddels de pensioenleeftijd heeft bereikt en grootouder is geworden, wat zorgt voor een verhoogde pensioenuitgave.
• Precies het feit dat het versneld terugdringen van het sterfterisico binnenkort van toepassing zal zijn op de babyboomers van weleer (geboren in 1945-1965) die straks tot de oma- en opaboom behoren, zorgt ervoor dat de betaalbaarheid van het sociale stelsel onder een buitengewoon zware druk zal komen te staan. (De Tijd, 10/10/1996)
• Maar niet alleen het individu is bang. Ook de overheid. Zij ziet de opaboom aankomen. Tussen 1945 en 1965 werden erg veel kinderen geboren, na 1965 veel minder. Vanaf 2005 neemt het aantal bejaarden dan ook sterk toe, terwijl het aantal actieven vermindert. (Het Nieuwsblad, 08/10/1998)
• Wat bij de huidige conjunctuur absoluut geen zin heeft, is het lukraak uitdelen van fiscale cadeaus. De economie heeft geen wilde stimulansen nodig. Meevallers kunnen beter worden benut om de schuldenlast te verlichten. Er komen nog recessies en ook de opaboom is niet ver. (De Standaard, 03/05/2000)
• Om de last van de opaboom evenwichtig te spreiden over jong en oud zal overigens ook bijkomende financiering nodig zijn die niet op het arbeidsinkomen weegt, zoals het vermogen. (De Tijd, 20/09/2014)
• Alle modellen die onze overheid hanteert om te kijken naar bijvoorbeeld de sociale zekerheid zijn gebaseerd op 20e-eeuwse, achterhaalde tewerkstellingsmodellen", schreef technologieondernemer Peter Hinssen in De Tijd. De robotboom zou wel eens veel vernietigender kunnen zijn voor onze welvaartsstaat dan de opaboom. Het is een fenomeen waartegen zelfs Zweedse inspiratie ons niet kan beschermen. (De Morgen, 08/06/2015)
• Dat vooral tot 2040 de uitgaven voor de vergrijzing toenemen, komt door de hoge geboortecijfers tot de jaren zeventig en in het bijzonder de babyboom na de Tweede Wereldoorlog. Ondertussen is die babyboom een opaboom geworden. (Het Belang van Limburg, 14/07/2016)
• Hij voegt eraan toe dat mensen ook pas op latere leeftijd naar een residentie trekken. “De ‘opaboom’ heeft niet plaatsgevonden”, vervolgt Mestach. “Er is een generatie overgeslagen: de leeftijd van de bewoners is van 70 naar 85 jaar gesprongen. Vroeger verbleven de mensen gemiddeld vijftien tot twintig jaar in een serviceresidentie. Tegenwoordig is dat vijf jaar.” (Trends, 12/10/2017)
• Die commissie (die destijds geleid werd door huidig minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (Vooruit)) beschreef haarfijn de gevolgen van de ‘opaboom'; de pensionering van de kinderen van de babyboomgeneratie (geboren tussen 1947 en 1955). Die zou zeker tot 2040 een zware last leggen op het pensioenstelsel en om die ‘bubbel' te overbruggen was de commissie-Vandenbroucke van oordeel dat meer mensen langer aan het werk moesten blijven én dat ook “financiering op basis van vermogen daarin een rol moet spelen.” (Apache, 20/07/2022)
• Als samenlevingscontract vormt het pensioen een mix van individuele verantwoordelijkheid, solidariteit en evenwicht tussen de generaties. De vraag rond de betaalbaarheid is bij uitstek ideologisch: wat hebben we als samenleving over voor het welzijn op onze oude dag? Momenteel kosten de pensioenen 11 procent van het bbp, dat groeit naar meer dan 13 procent in 2050. De ‘opaboom’ (tot 2050) en de hogere levensverwachting (gemiddeld 22 pensioenjaren, ooit was dat de helft) zetten financiële druk. (De Standaard, 16/01/2025)