Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 26-01-2021

ooievaar

betekenis & definitie

1) (19e eeuw) (stud.) soort sjees.

• Het was een leven als eene hel, en voor het avond was reed Gusje van Yken met papa de stad uit op den hoogsten ooievaar, die ooit is gebouwd geworden. ( Klikspaan (is J. Kneppelhout.): Studenten-Typen: December 1839 - Mei 1841. Uitgave 1872)

2) (scheldw.) Hagenaar. Een ooievaar staat volgens het volksgeloof net als een Hagenaar op hoge poten, heeft weinig veren en toch een grote bek. De ooievaar staat sinds ca. 1592 in het Haagse wapen.

• Waarom er een ooievaar staat in het Haagse wapen? Omdat de ooievaar de eeuwen door het symbool is geweest van iedere onvervalste Hagenaar: hoog op de poten, kaal in de veren, en met een grote bek! Als ik niet beter wist zou ik er op durven zweren, dat het een Amsterdammer geweest moest zijn, die zo uit de hoek kwam. (Het dagblad, 23/09/1947)
• Want er werd wat afgelachen. Bijvoorbeeld, tijdens haar uitleg over de Ridderzaal vertelde Astrid waarom de stad Den Haag een ooievaar ln het wapen heeft. „Buitenstaanders zeggen, zo wil het verhaal, dat de ooievaar net als een Hagenaar op hoge poten staat, weinig veren heeft en toch een grote bek." (Trouw, 26/07/1980)
• Of het moet zijn omdat Hagenaars net ooievaars zijn: 'Hoog op de poten en een grote bek. ' Uiteraard zal geen enkele echte Hagenaar zich hierin herkennen. (Martijn J. Adelmund: Den Haag. 2009)
• Ooievaars is een scheldnaam voor de Hagenaars. Bovendien staat de ooievaar in het stadswapen van Den Haag. (Marinus A. Van Den Broek: Boeren, burgers en buitenlui spreekwoordelijk geportretteerd. 2013)

3) (1919) (scheldw.) iemand met lange benen.

• “Kijk eens jan" riep Nelly, “daar komt de ooievaar aan. De ooievaar was een jongen, die pas in de buurt was komen wonen. Hoe hij heette dat wisten de kinderen niet. Maar een naam hadden ze al gauw gevonden. Hij had zulke lange beenen; ooievaar" dat zou een prachtnaam zijn. En van af dien tijd heette de jongen “ooievaar" en zoo werd hij ook uitgescholden. (Bataviaasch nieuwsblad, 27/12/1919)

4) (1918) (meerv.) (sold.) bijnaam van de grenadiers.

• Niet onverdienstelijk is — 'n ander staaltje van concurrentiegeest — de betiteling, die de Jagers op de Grenadiers toepassen, nl. die van „Pompstokken". De pompstok is 'n gerekte smalle staaf, met behulp van welke de loop van het geweer wordt schoongemaakt. Een heenwijzing dus naar de lengte der Grenadiers, als koninklijke garde. Daartegenover staan de Jagers bij de Grenadiers als „kikkers" in tel. Wat een tegenstelling is tot den vroegeren spotnaam der Grenadiers: „Ooievaars", welker steltpooten de natuurgetrouwheid moesten suggereeren. (Van onzen tijd jrg 18, 1917/1918, no 33)