(1988) (inf.) copuleren; een nummertje* maken.
• ... met ‘n volle maag nog ‘n beetje gaan liggen nummeren. (Albert Mol: Haar van boven. 1988)
• Ik werd zo wat kierewiet van d’r bedwelmende parfum en had ‘r al meteen willen nummeren. (Dirk Dufraing: Rock ‘n’ Roll. 1989)
• Op de eerste rij zaten professoren op biervaten. Die begonnen me toch te loeien toen een grote neger het podium op kwam en met een dame begon te nummeren. (Nieuwe Revu, 28/08/2002)
• Het dringt tot je door dat jullie nimmer in bed hebben genummerd. (Peter Smink: Grand Mal. 2010)