Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 26-06-2022

nul de botten

betekenis & definitie

(1943) (Vlaanderen, plat) niets, geen zier. Syn.: nougatbollen*; rien* de knots.

• Houd uw bakkes maar wat meer naar ‘t licht gekeerd, en zwijg over schilderen, daar kent ge nul de botten van. (Edmond van Offel: Adriaan. 1943)
• Onder hem staan de ministers, Pierlot, Spaak etcetera, en wat zeggen die? Nul de botten. (Gerard Walschap: Zwart en wit. 1969)
• Wel waren er enkele onnozele visjes die van tijd tot tijd aan de dode pier van Wardje kwamen nibbelen, maar in de regel ving hij bot, hetgeen wil zeggen nul- de-botten. (Marnix Gijsen: Kleine sprookjes voor grote mensen. 1988)
• Ik snap er nul de botten van: ik begrijp er geen snars van. (Claire van Putten: Antwerps zakwoordenboek. 1993)
• Niets. Wat stelt dat in godsnaam voor.? Nul de botten. Rien. Volgens mij. En wat zat ik er weer eens vlotjes naast. Country-muziek betekent wel degelijk iets in ons Belgenlandje. (Het Belang van Limburg, 22/11/1994)
• (Edmond Cocquyt: Nieuw Gents Idioticon. 1995)
• Maar de ozon, het verkeer, de bodemsanering, dat lijken faits divers. Bij de Vlaamse begrotingscontrole wordt daarvoor enkele honderden miljoenen gevraagd. Nul de botten komt er. (De Morgen, 16/05/1998)
• Maar wat halen ingeleverde nummerplaten en autoluwe dagen ten gronde uit? Geen bal. Niks. Nul de botten. (Gazet van Antwerpen, 23/09/2003)
• Maar van de liefde, Ronny, neem dat maar van mij aan, daar weet ge geen botten van. (Walter van den Broeck: Een vrouw voor elk seizoen. 2011)
• … maar van mij krijg je niks, noppes, nul de botten, nougatbollen, om de eenvoudige reden dat ik niks heb om terug te geven, noppes, nul de botten, (Stan Laureyssens: Selfie: memoires van een sympathieke schurk. 2015)