Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 14-01-2021

niegeshoer

betekenis & definitie

(2012) (scheldw.) waardeloze hoer. Kijk ook onder nieges*. Vgl. nog allemanshoer*; champagnehoer*; chocoladehoer*; dalleshoer*; grashoer*; kaashoer*; kanariehoer*; kankerhoer*; knakenhoer*; kruishoer*; kwartjeshoer*; mosselhoer*; noppeshoer*; pekelhoer*; pleehoer*; portiekhoer*; pothoer*; puinhoer*; spuithoer*; stoephoer*; stuffhoer*; tafelhoer*; tientjeshoer*; varietéhoer*; zeikhoer*.

• Als ik merk dat die griet hier de niegeshoer komt uithangen, zal ik er persoonlijk voor zorgen dat ze morgen ergens anders kan optreden. (Patricia Perquin: Achter het raam op de wallen. 2012)

< >