Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 11-07-2021

neus

betekenis & definitie

(1944) (scheldw.) jood. In karikaturen wordt een jood vaak voorgesteld met een 'grote, kromme' neus. Het prominente reukorgaan is dan ook het stereotiepe beeld waarmee joden al eeuwen worden voorgesteld, niet alleen in nazistische haatpropaganda, op een schilderij van Breugel maar ook in Aalst carnaval 2019 (met beelden van orthodoxe joden met een haakneus). Als scheldwoord is 'neus' wellicht al een paar eeuwen oud. In het Rotterdamsch nieuwsblad van 07/11/1921 stond volgend zinnetje:"Hè. bent u dan een jodinnetje? Ja, dat zie ie toch wel aan m’n grooten neus! " Zie ook: haakneus* en neuzen*.

• Toen ik vanmiddag meneer Cohen tegenkwam, die er tusschen twee haakjes patent en blozend uitziet en mij. wat je noemt, overwinningsbewust toelachtte, kreeg ik toch onwillekeurig een vreemd gevoel in mijn maagstreek. Zou het hem bekend zijn, dat ik mijn opkomst aan het tijdige verdwijnen van mijn vroegeren compagnon te danken heb? Het was alsof hij zeggen wou „Wij spreken elkaar nog wel eens nader, Mr. Timan!" Ik voel me niets gerust, niettegenstaande de welwillende en beschermende houding, welke ik nog steeds tegenover de neuzen aan den dag leg. (De zwarte soldaat: blad voor de WA, 15/06/1944)
• (Justus van de Kamp & Jacob van der Wijk: Koosjer Nederlands. 2006)
• Op het schoolplein werd ik regelmatig uitgescholden voor ‘neus’ of (hoe vreemd) voor ‘zuurkool’ of erger: ‘jood’. (Frans Pointl: De laatste kamer. 2013)
• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)
• Hij neemt de gewoonte van zijn nieuwe 'broeders' over om journalisten en politici aan te duiden als 'joden' of 'neuzen' (een beledigende manier om joodse mensen aan te duiden) en begint zich te mengen in serieuzere discussies. (De Groene Amsterdammer, 27/05/2021)

< >