Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 11-01-2021

neuken

betekenis & definitie

1) (1653) (inf.) geslachtsgemeenschap hebben, copuleren. Afgeleid van het Nederduitse woord ‘nöken’ (stoten), het Oudnoorse ‘hnykkja’ (rukken). Net als het Middelnederlandse ‘fieken’ (vgl. het huidige Duitse ‘ficken’) heeft het woord een betekenisovergang meegemaakt van ‘slaan, duwen’ (bijv. iemand in de gracht neuken) naar ‘penetreren (van het vrouwelijk geslachtsdeel)’. Drs. Frans Claes (Leuvense bijdragen 83. 1994)) heeft neuken gedateerd in 1762, daarbij verwijzend naar een artikel van Y. Stoops in De Nieuwe taalgids 85. 1992, p.297-301. In de betekenis van stoten is de term veel ouder. In West-Vlaanderen wordt het nog steeds in die eerste betekenis gebruikt, al vermijden jongeren het woord juist omwille van de hedendaagse betekenis. Maar 'neuken' in de zin van copuleren dook al veel eerder op in een rechtbankverslag uit 1653. In zulke verslagen worden verklaringen van getuigen letterlijk opgeschreven, ook wanneer ze taboewoorden bevatten. In de literatuur werd het woord lange tijd gemeden.
‘Alles neuken wat los en vast zit’ slaat op promiscue gedrag. Bekend is volgend scabreus versje: "Daar was laatste een meisje loos, / Die wou gaan neuken; / Die wou gaan neuken; / Daar was laatst een meisje loos, / Die wou gaan neuken een jong matroos. " In het educatieve VARA-programma 'Open en bloot' gebruikte presentator Joop van Tijn in 1974 voor het eerst in de Nederlandse televisiegeschiedenis het woord 'neuken'. Zie ook: alles neuken waar een gat in zit; in het rond neuken; neuken op krediet; neuken als konijnen; met geweld* neuk je een ezel.

• neuken = naien (naaien), minder algemeen: prikken, feugêln en fieken; West-Vlaamsch neuken = futaere, bij Kil. bekennen = coire, concumbere, Eng. to nuck; Oostfr. fögeln, (ook nöken), letterlijk: gelijk een vogel doet; Holst. Pommersch: fikken. Het eerste woord zal zooveel zijn als: stooten, en nauw verwant met: nokken, en: nukken. Vgl.”t WVl. neuk = harde duw, stoot of slag; neuken, ook nukken = een harden duw, stoot of slag geven. (De Bo). – neuk in ”t napke! zooveel als: mis is ”t, ” t loopt op niets uit, en ook: gekheid, uitvluchten, voorwendsels, draaierij! – geneuk, fig. voor: getalm, getreuzel, en ook = gebabbel, gezanik, gezeur: wat wi j” mit al dat geneuk! (Het behoeft nauwelijks gezegd dat dergelijke woorden en uitdrukkingen alleen bij de laagste klasse in zwang zijn.) (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895)
• … dat de opposant is gedagvaard om op 17 Maart 1910 voor de Arrond.-Rechtbank te Groningen te verschijnen en, op dien dag is terechtgesteld', ter zake: „dat hij op 12 Febr. 1910 te W., gemeente U., heeft gepoogd het meisje A. T., met wie hij niet was gehuwd, te dwingen met hem vleeschelijke gemeenschap te hebben, zulks door haar gewelddadig vast te grijpen, vast te houden onder het haar toevoegen dier woorden: „Ik wil jou neuken" of iets dergelijks, en te trachten haar in den berm langs dien weg op den grond te drukken, zijnde dit misdrijf niet voltooid alleen tengevolge der van zijn, beklaagdes, wil onafhankelijke omstandigheid, dat het meisje zich krachtig verzette, totdat een derde persoon naderde en de beklaagde dientengevolge van verdere pogingen afzag". (Weekblad van het regt, 11/03/1911)
• Er bestaat een heel smerig woord voor datgene, wat zijn broertje op het oogenblik doet, een woord, dat nooit hardop in tegenwoordigheid van groote menschen gezegd mag worden, dat erger is dan alle andere vuile woorden. Maar nu zal hij het moeten zeggen, het moeten uitschreeuwen, omdat er geen ander woord voor bestaat. De deur wordt opengetrokken en nog voor dat deze geheel geopend is, schreeuwt Frits, zoo luid als hij kan, naar boven: - Vader, kom gauw. Dolf neukt! (Maurits Dekker: Amsterdam. 1931)
• ... wie met de mof neukt krijgt een blikje Eisbein... (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. 1964)
• Ik ken ze, de Goden die hun neuken tot leven verheffen: schrijvers als Miller en Georges Bataille, de niet te noemen schilders, filmers en andere vermetele playboys, de liefhebbers die wij welkom heten! (Simon Vinkenoog: Liefde. 1965)
• Je wilt toch effe met ons neuken? (Andreas Burnier: De verschrikkingen van het noorden. 1967)
• Nou, toen ik dat wist, ging ik helemaal op de pof fleppen. Aan boord noemden we dat ‘Op het snuitje neuken’. De meeste jongens aan boord hadden dan ook op hun snuitje geflept. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968)
• Als hij hen passeert, dicht langs de trottoirrand, hoort hij een van hen roepen: ‘Ik zou wel eens lekker willen neuken!’ (Cees Buddingh: De avonturen van Bazip Zeehok. 1969)
• Ik neuk op de automatische piloot. Ik ken je al zo lang en zo goed, dat ik precies weet wat fijn voor je is, dat gaat verder vanzelf. (Maartje Luccioni: Wie nu geen huis heeft. 1974)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• De jongen wees op zijn broekzak. Zullen we gaan neuken? vroeg hij. (Mischa de Vreede: Een hachelijk bestaan. 1974)
• Meestal echter bewijzen de auteurs dat zij de erotische symboliek lang voor Freud hadden ontdekt en toegepast. Het thans zo ‘populaire’ woord voor de geslachtsgemeenschap (neuken, dat eigenlijk duwen betekent en in die zin ook in Vlaanderen wordt gebruikt) komt zelden voor. (Anton Constandse: Eros -de waan der zinnen. 1977)
• ‘Ik wil niet voor mijn achttiende neuken,’ zei ze... (Hannes Meinkema: De naam van mijn moeder. 1980)
• Tijdens zo’n avond blijkt de belangstelling voor het onderwerp ‘geslachtsziekten’ groot. ‘Niet zo gek, want ze neukten alles wat los en vast zat.’ (het Parool, 04/05/1991)
• Toch willen ze dat we veel kinderen krijgen. Ontstorven neuken, pardon ‘gemeenschap hebben’ moet ze zeggen, en die term is al vies genoeg om de priester te doen blozen. (Nelleke Noordervliet: Uit het paradijs. 1997)
• Ik heb een op zich heel aardige vrouwelijke kennis nog niet zo lang geleden het volgende horen verzuchten: ‘Als mijn man zo goed kon neuken als ie kan lullen, dan zat ik nu niet weer de batterijen van mijn vibrator bij te vullen!’ (Mels van Driel: Met de hand. Een culturele geschiedenis van de soloseks. 2010)
• Van Dale nam het woord ‘neuken’ voor het eerst op in de vierde editie, uit 1898. In de drie eerdere edities was het woord niet opgenomen geweest, hoewel het al bekend is sedert de Middeleeuwen. Maar blijkbaar werd het nog niet als Algemeen Nederlands gezien, of de samenstellers van de eerste drie edities waren te preuts. In 1898 kreeg ‘neuken’ de volgende omschrijving: ‘(gemeen) beslapen, vleeschelijke gemeenschap met eene vrouw hebben; zaniken’, met bij die laatste betekenis de voorbeeldzin: ‘lig toch niet te neuken’. (Wim Daniëls: Spijkerbalsem. 2014)

2) (1911) (plat) zeuren, zaniken; vervelend doen. 'Lig niet te neuken'. In deze betekenis ook opgenomen in het 'Woordenboek der Friese taal' (1986). Syn.: neukepitten*.

• Nêûken, 1) een slag of stoot geven; 2) bezig zijn op eene wijze, die anderen verveelt: ligt dăor nie te nêûken, schei uit, verveel mij niet langer. (Taco H. de Beer: Onze volkstaal. 1882-1890)
• In een nummer van twee jaar geleden stond een kort gedichtje waarin het woord 'neuken' voor moest komen. ... in de bus viel, stond er neulen', hetgeen lijkt op nölen – in het zuidoosten van ons land een woord dat men voor zeuren gebruikt. (Podium. 1967)
• Neuken: ( plat ) 1. zeuren , zaniken: lig niet te neuken. (F. Boer: Pudding en gisteren. 1967)

3) (19e eeuw) (Vlaanderen, vero.) beetnemen, foppen, bedriegen. 'Gij zult mij niet neuken, kerel!' Zie ook: verneuken*.

• (Lodewijk Willem Schuermans: Algemeen Vlaamsch Idioticon. 1870)
• (F.A. Stoett: Nederlandsche speekwoorden en gezegden. 1943)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• (Walter de Clerck: Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek. 1981)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)
• (Wim Daniëls: Spijkerbalsem. 2014)

4) (19e eeuw) (inf.) hinderen; er iets toe doen; vervelen. 'Dat neukt de baker niet, als 't kindje maar geboren wordt': dat doet er niet toe. Syn.: dat dondert niet.

• Zijde bedonderd, zei Telle, en, Willem net doend of de zaak dan uit was en weêr kijkend aan het gordijn of de opziener, zei Telle, hem volgend met het hoofd en Willem met zijn leêge hand bij een knoop vattend: Kom, dat neukt niet; ’t is ’n ’n goeye hier, die doet net of-i niks merkt. Maar ik mot voor me worst vijf plakkies hebbe. (Lodewijk van Deyssel: De kleine republiek. 1889)
• Wanneer hij haar deed opmerken dat zijne bezigheden hem wachtten, zegde zij misprijzend: „Wat neuken mij uwe bezigheden!" (Stijn Streuvels: De teloorgang van de waterhoek. 1927)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)