Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 18-07-2023

narrig

betekenis & definitie

(19e eeuw) (inf.) knorrig, lastig, onredelijk. (stud.) zielig; triest.

• narrîg = verdrietig, knorrig, slecht gemutst, in eene kwade luim zijn; narb ksen = pruttelk nd = knorrepot, brombeer; narrîg en neutêlg, tautol. Vergelijking: narrîg as ”n swien. Dr. narsch, bijvorm van: norsch; Zaansch. narrig = altijd gereed om te huilen; Oostfr. gnarrig, Neders. Holst. gnurrig, gnorrig, ons: narrîg met voorgevoegde g, overeenstemmende met: knorrig; Westf. närrisk = lichtgeraakt, prikkelbaar. (Volgens Swaagman = arrig = boos, vertoornd, slecht geluimd, enz., met voorgevoegde n, nog over in: in arren moede = met een toornig, (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895)
• Johanna dacht: hij was als oude man veel moeilijker en narriger dan ooit in vroeger jaren. (Ina Boudier-Bakker: Een dorre plant. 1909)
• Nareg, Hl. narreg, zie naarn. I°. Vervelend schreiend. Wat is dat kind vandaag tóch nareg. 2°. brommig, knorreg. Dij keert is aaltied nareg, hai is zo nareg as n swien. Bij Molema: nareg in neudelg; zie neuly en neudelg. 3°. nijdig, geneigd tot slaan, steken enz. 't Peerd is nareg, paas op! Als de bijen van een korf steken, dan zegt de iemker: dat aine iem is oareg nareg. (K. ter Laan: Nieuw Groninger Woordenboek 1924-1929)
• Als ik teveel zuip dan wil ik wel eens een beetje narrig worden. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968)
• (G.J. Boekenoogen en K. Woudt: De Zaanse volkstaal. 1821-1971)
• Narrig, bn. en bw. 1. Dwars, bokkig, plagerig. 2. Dreinend. (Jan Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)
• narreg: nijdig, querulant. (T. van Veen: Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek. 1989)
• Narreg, geïrriteerd, prikkelbaar. Kom jôi, doet zô narreg iet azze ze je effe plaige: kom joh, doe niet zo geïrriteerd als men je even plaagt. Opvallend is de uitgang -ze bij het voegw. azze (zie ook -). Iets dergelijks hoort men bij betr.vnw. als datte (zie - ), dieje (zie - ) en watte (zie - ). Deze uitgang -ze ontstaat bij aansluitende mv. zn. of bij mv. pers.vnw. als me (we), jülie en ze of zülie. (Piet Spaans: De spreektaal van de Scheveningse kustbewoners. 2004)
• Narrig. Zielig, triest. (Elsevier, 09/02/2013, over studententaal)
• Een slepend vervelend verhaal uit zijn privéleven kwam daar nog eens overheen en dat maakte hem soms kopschuw en narrig. (Mart Smeets: Niets is wat het lijkt. 2013)
• Ik durfde nooit toe te geven hoe narrig ik soms was. (Roos Schlikker: Moeder van glas. 2018)
• Soms hadden we langer dan een week geen seks. Dat is niet eerder voorgekomen tijdens onze relatie. Ik werd er bij vlagen narrig en achterdochtig van. (Heleen van Royen: Sexdagboek. 2018)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend