1) (1906) (Amsterdam, Barg.) effectentrommel; geldkist.
• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Nu wordt het pas goed! Nu beginnen de Nederlandsche uitgevers de Nederlandsche litteratuur te bevorderen. Zij begrijpen terecht, dat alles voor geld te krijgen is, ook het beste in de kunst, en zij rammelen met den moppentrommel. (de Groene Amsterdammer, 21/03/1909)
• Brandkast: brandspinozer, muntmeter, muziekdoos, speeldoos, tiejip, ijzeren Hein, moppentrommel. (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)
• Een effectentrommel noemt hij een moppentrommel en een brandkast heet een brandspinozer. (De nieuwe Nederlander, 09/04/1947)
• … een brandkast was een muntmeter of muziekdoos, een geldkistje een moppentrommel of een effectentrommel, en een kattebak met molm was een la met geld. (Het vaderland, 26/05/1956)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• (Paul Van Hauwermeiren: Bargoens zakwoordenboek. 2011)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)
2) (19e eeuw) (Zaanstreek, sch.) schooltas (van jongens). Vandaar ook een scheldwoord voor de drager van zo'n tas.
• moppetrommel, (uitspr. moppatròmmal), znw. vr. Zie de wdbb. - Ook schertsend voor schooltas (van jongens) en vandaar ook als scheldnaam van de scholier die zulk een tas draagt, inzonderheid van de leerlingen der Hogere Burgerschool te Zaandam. // Lillike moppetrommel! (G.J. Boekenoogen en K. Woudt: De Zaanse volkstaal. 1821-1971)