Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 20-01-2022

mondkost

betekenis & definitie

(16e eeuw) (zeem.) proviand, levensmiddelen. Het WNT citeert o.a. C. Everaert (Spelen van Cornelis Everaert. 1509-1538): "Met huer handtghewerck vander naelde Wan zou den mondtcost."

• Onse spyßkamers laet vol werden
Allerley mondkost, wt der ęrden,
Onse schapen mit duyst aen boord,
Ia mit thien duyst laet komen voort. (Jan Utenhove: Hondert Psalmen Davids mitsgaders het ghesangk Marie, t'ghesangk Zacharie, t'ghesangk Simeons. 1561)
• mondkost, eetwaaren, en derhalven komt het van mond en kost, ens. (W.A. Winschooten: Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Neederlandse Konst, en Spreekwoorden.... die uit de Seevaart sijn ontleend. 1681)
• Maar kouter, schup en spa. hier word geen hofbanket,
Maar boere mondkost, op den manken disch gezet… (Lukas Rotgans: Wilhem de Derde. 1710)

< >