Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 27-12-2020

mof

betekenis & definitie

(16e eeuw) (scheldw.) Duitser. De ‘moffenkeizer’, zo noemde men Hitler in onze contreien. Een ‘moffengriet, -hoer, of -matras’ was tijdens de oorlog een scheldnaam voor een meisje dat met de Duitsers optrok. Een collaborateur werd ook wel uitgescholden voor een ‘moffenknecht.’ Een groot blond blauwogig persoon werd tijdens de tweede wereldoorlog een ‘edelgermaan’ of een ‘edelmof’ genoemd. Een ‘moffenzeef’ was een draaibare radioantenne die men gebruikte om het effect van Duitse stoorzenders te verminderen. Daardoor kon men gemakkelijker de Engelse zenders beluisteren. Duitsland wordt ‘Moffrika’ genoemd (reeds bij Willem Bilderdijk in 1820 en bij Heijermans in Kamertjeszonde, 1898). ‘Moffrikaans’ voor Duits vinden we al terug in het werk van Beets.
Het woord ‘mof’ is niet zoals velen ten onrechte menen, ontstaan tijdens de oorlog. Het dateert al van de late middeleeuwen (16de eeuw). Het werd voor het eerst opgetekend in 1574. Toen was het al een scheldwoord voor een Duits soldaat. Wellicht werd het ontleend aan het Duitse woord ‘Muff’ (knorrepot; onbeleefd, ongemanierd persoon). Het Middelnederlandse werkwoord ‘moffelen’ betekende: een grote mond opzetten. In de zestiende eeuw had ‘muff’ de betekenis van ‘scheve muil; bars persoon. Anderzijds was er de uitdrukking ‘zwijgen als een mof’. Ook werd ‘mof’ vroeger gebruikt door Amsterdammers als scheldnaam voor bewoners van de andere provinciën. In 1942 schrapte Koenen het woord uit het woordenboek uit angst voor de Duitse bezetter. Pas in 1952 volgde rehabilitatie. Scheldnamen voor Duitsers doken vooral op tijdens de eerste en tweede wereldoorlog. Vgl. Frans: boche; Fritz; Frisé; chleu; Fridolin; alboche; choucrouteman; Engels: Kraut; Jerry; Boche; cousin Michael; Fritz; Heinie; Hun (Duitsland was Hunland); squarehead en vele anderen.

• Daar by had hy zig zo wel weten te confyten in de swier en manieren van die Natie, dat op zyn terugkomst een van zyn Papa's boeren luidkeels uitgeschreeuwt had, dat hy 'er puur uitzag, en sprak, als een Fransche Mof. Deze uitdrukking deed hem schateren van lagchen. (Justus van Effen: De Hollandsche Spectator, 29/08/1732)
• Toen ik op het naaischool ging, was daar een meisjen, zo goed lachs, dat zelfs het gegrom en gekijf der Naaivrouw bij haar niets uitwerkte, dan het stil gegigag in een schaatering te doen losbreeken: een muts, die scheef zat; een lok hair die te kort of te lang hong; een Smouws die groente verkocht; het gehoetel van een paar moffinnen - wat niet al? (Betje Wolff: Histo-rie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding. 6 dln. 1793-1796)
• Mof, m. (-fen), *-FIN, v. (-nen), spotnaam der Duitschers, (inz. der westfaalsche boeren en boerinnen); (fig.) lomperd; soort mees (zangvogeltje). (I.M. Calisch en N.S. Calisch: Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal. 1864)
• Mof, Ned. spotnaam voor de Duitschers. Bij de verschillende hier te lande gegeven verklaringen van den oorsprong dier uitdrukking, dient ook de minder bekende uitlegging van sommige Duitschers te worden gevoegd, Bernard von Balen, prins-bisschop van Munster, voerde namelijk in 1665, in vereeniging met Engeland, oorlog tegen ons land, en belegerde daarbij, gedurende den winter, met zijne troepen, die voor het meerendeel uit het land van Ems afkomstig waren, ook Rotterdam. Om zijne manschappen tegen de scherpe heerschende koude te beschutten, deed hij handmoffen onder hen uitdeelen. De belegerden zouden dat als een bewijs van verwijfdheid der Duitschers beschouwd, en deze daarom moffen genoemd hebben. En daaruit zouden de studenten van Göttingen, omstreeks 1830, ter aanduiding hunner makkers uit Emsland Muff hebben gemaakt, een woord dat allengs naar Oud-Hanover (Luneburg, enz.) en Oost-Friesland tegelijk met het woord Muffrika voor de aangeduide streek, werd overgeplant. Men zegt ook soms Muffricaner. Zeer waarschijnlijk had von Bismarck het woord Muffrika uit zijn studietijd onthouden, toen hij, zooals de nieuwsbladen toenmaals meldden, in Maart '84, tegenover een Ned. diplomaat zou hebben verklaard, terwijl van eene mogelijke inlijving van Nederland sprake was: ‘Wij kunnen niet nog drie millioen Hollanders gebruiken, die ons Duitschers ten allen tijde, als een aanhangsel van Muffrika, minachtend hebben behandeld’. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Volgens den volksmond is de bijnaam "Mof" afkomstig uit den tijd van den Fransch-Duitschen oorlog, toen in den harden winter van 1870-71 de Duitsche soldaten polsmof-jes droegen. Het woord "Mof" is echter van veel oudere dagteekening, getuige het oordeel der taai-geleerden. Het bekende, geïllustreerde Woordenboek derNederlandsche taal door Kuipers, "Mof", vergelijk Engelsch "muff", lafbek; reeds in de Middeleeuwen een scheld-naam, waarmee men te Aken een Keulenaar en in Nederland een Duitscher placht aan te duiden; vergelijk Verdam, Middelnederlandse!! Woordenboek; het woord staat misschien in verband met Middelnederlandse!! "Moffelaar" en "Moffelen" en beteekent een zuurmuil of iemand, die een grooten mond opzet, een blaaskaak, scheldnaam van de Duitschers, vooral van de boeren uit Westfalen en Oost-Friesland ; opmerking verdient nog, dat men in sommige streken hannekemaaiers en rond trekkende Duitsche muzikanten ook aldus scheldt. (de Groene Amsterdammer, 25/10/1914)
• Moffen en poepen - Scheldnaam voor de Duitschers in het algemeen, meer in het bijzonder voor de bewoners van Westfalen, die doorgingen voor zeer lomp en onbeschaafd. De naam Hannekenmaaier werd oorspronkelijk aan de bewoners van Westfalen en aangrenzende stre-ken gegeven, omdat zij in den oogsttijd in ons land kwamen maaien. (Jac. van Ginneken en H.J. Endepols: De regenboogkleuren van Nederlands taal. 1917)
• Toen moffen in drommen vergrauwden ons land
Stond Dinges wat bleek en beduusd aan de kant. (Willem van Iependaal: Liederen van de zelfkant. 1932)
• En als er een Mof aan je vork blijft kleven, dan zo, met je poot, 'm er aftrappen. (Willem van Iependaal: Kluivenduikers Doedeldans. 1937)
• Vooral de theeketel is waardevol, zooals alle metaal tegenwoordig: dat koopen de Moffen. (Jef Last en Harry Wilde: Kruisgang der jeugd. 1939)
• Ach meid, die mof belatafelt de boel. (Alex De Haas: Het gezellige zussie en de ongezellige buurvrouw. 1945)
• Van het ogenblik af dat die moffen met eieren begonnen te gooien heb ik maar één ding voor ogen gehad: een lege stoel achter een bureau in Batavia. (Jan de Hartog: Gods Geuzen. 1947-1949)
• Kijk, as de mof nou dàt maakt en de Fransman geeft 'm dààro een rukkie en de Engelsman valt 'm hiero op z'n pens, nou dan mot je es op mijn woorde lette, maar dan zal je zien, hoe gauw Hitteler messepis naar de dokter holt. (Piet Bakker: Cis de Man, 1947)
• Nou dat ik geen dame ben, dat weet ik al van '43 af, toen ik 'n mof 'n schop onder z'n kont gaf, omdat ie met me onder de wol wou.... (Simon Vestdijk: Op afbetaling. 1952)
• Deze mensen waren heus niet 'fout', waren heus geen NSB-ers en hadden net zo 't land aan de moffen als oom Dirk, maar toch waren ze voor ons gevaarlijk omdat ze zo graag praatten. (Leonard de Vries: Chaweriem. 1955)
• De mof knijpt 'm voor Churchill en voor ons. (K. Norel: Vliegers in het vuur, 1963)
• ... het land zat vol met Moffen. Eva zei ook bijna altijd Moffen en zelden Duitsers, zoals ie-dereen, ofschoon ze nooit rechtstreeks met de bezetters te maken had gehad... (Theun de Vries: W.A.-man. 1967)
• Ik sprak geen woord Duits, ik schold 'm te pletteren, die pleurismof. (J.A. Deelder: Bep van Klaveren. De Dutch Windmill. 1980)
• We zouden die moffen wel even een poepje laten ruiken. (Nelly Heykamp: De stenenzoeker, 1985)
• (G.L. van Lennep: Verklarend Oorlogswoordenboek. 1988)
• Over Bernhard, die 'typische mof ', die boog als een knipmes toen Vredeling even de verhoudingen tussen een prins en een minister duidelijk had gesteld. Over Max van den Berg, 'minkukel en half mislukte wethouder uit Groningen' ("Die baard eruit of ik!") en over Joop dan Uyl, 'een groot denke r, een dit en een dat', maar over de grens 'een kruk die slecht Frans en Engels praat' en bovendien een 'nitwit' op het gebied van defensie. (HP/ De Tijd, 04/09/1995)
• Natuurlijk werd ook bij ons over 'die rotmoffen' gesproken, maar omdat mijn vader in de jaren twintig correspondent in Berlijn was geweest, wist hij dat er ook een ander Duitsland bestond. (NRC Handelsblad, 14/02/2003)