(1981) (< Fr.) (Antwerpen, Brussel, inf.) vrouwelijk geslachtsdeel, kut, pruim*. In een oud Brussels studentenlied vinden we de term terug: 'Elle avait un' mijolle comme un' casserole.' Later werd het ook de benaming voor een soort bakspel.
• Vagina: Deftig: het vrauwelak. Volks: foef, mijol, mansjoeffel, jenoffel, snijboon, trut, jol, kut, viool, mossel, pruim, muis, pissemuis, peerdoog, mook, floeren hoed, floeren gaatje, pluche kapelon, cinema, ne keus-af, charcuterie, vleeswinkel, bollenwinkel. Vertederd: mansjoeffeltje, trutteke, kutteke, jenoffeltje, muiske, pruirneke, enz. (Jack De Graef: Het Groot Woorden- en Liedjesboek over het Antwerps dialekt. Vierde aangevulde druk. 1981)
• (Jack de Graef: Het Antwerps dialect van dezekestijd tot in de 21e eeuw. 1999. 11e druk)
• (Tony Rombouts & Bert Bevers: Antwaarps Nederlands woordenboek. 1999)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)
• (Johan De Caluwe, Veronique De Tier, Anne-Sophie Ghyselen, Roxane Vandenberghe: Atlas van het Dialect in Vlaanderen. 2021) p. 81