Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 08-08-2023

mem

betekenis & definitie

1) (19e eeuw) (scheldw.) iem. die niet erg flink is maar zeurt.

• ‘Ik wil er op sterven, dat ik het zag,’ hoorden zij nogmaals. ‘Ned, Bob! blijft bij ons! Laffe memmen, laat me hier niet allen staan!’ klonk het van buiten, en thands duidelijk verstaanbaar. (De Gids. Jaargang 27. 1863)
• ‘Verraad!’ riep Rietlus doodsbleek. ‘Wij zijn verloren!’ en hij balde de vuist. ‘Waarom niet éer doorgetast; laffe memmen zijt ge!’ (H.J. Schimmel: Romantische werken. Deel 1. 1870)
• (Ben Salemans & Flor Aarts: Taal in stad en land. Maastrichts. 2002)
• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)

2) (1906) (Barg.) het getal 40.

• Mem, 40. (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Mem, 40. De dertiende letter van het Hebreeuwse alfabet; als getalwaarde 40. (Henry Roskam: Boeven-jargon. 1948)
• mem, (Barg.) veertig; ook: moeder; lafbek. (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)

3) (inf.) vrouwenborst. Kijk onder memmen* (2).