(1906) (Barg.) zakkenroller.
• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Jij mot mit de meelik-peesers je veertig-jarig jubeléum fiere... onder 't gajes!... schaterde Hendrik de Dool. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 2: Van Nes en Zeedijk. 1914)
• Peezen beteekent in deze eigenaardige' taal werken, werken met of werken op: een meelukpeezer is een zakkenroller, iemand, die „op" den zak of de meeluk werkt; een tiejijspeezer is een brandkastforceerder. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 06/05/1925)
• Nog even dat bargoens: een zakkenroller bijvoorbeeld is een „meelukpezer" of „vinkedresseur"; een „vink" is dus een portemonnaie. (De Volkskrant, 14/10/1960)