Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 22-09-2023

melig

betekenis & definitie

(19e eeuw) (Barg.) koning.

• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Grandige van de Meilig of Zoon des Meiligs, prins. (Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 45. 1926)
• (J.G.M. Moormann: De geheimtalen. 1934)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (Henry Roskam: Boeven-jargon. 1948)
• meilig, (Barg.) koning; meiligin: koningin. (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)
• Moormann neemt de Bargoense etymologieën van v&p nogal onkritisch over. Op grond van ‘tof, brg. zie tauƀ, goed.’ bij v&p geeft hij ‘Jd. tauw’ als etymologie voor tof, terwijl onmiddellijk boven tof de eigenlijk Jiddische (enigszins etymologisch gespelde) vorm toƀ staat (‘toƀ, zie tauƀ.’). Idem bij Brg. meilig: de verwijzing naar mélèch wordt gehonoreerd, de vermelding van meilech wordt genegeerd. (Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 122. 2006)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.