(19e eeuw) (Barg.) ik, mij; mijn; van mij. Zie ook: michels*.
• Mechels maast grandigen schrok, ik heb grooten honger. (H. de Seyn-Verhougstraete: Het Bargoensch van Roeselare. 1886)
• De andere sprak: ‘Fiemt met uw keete, mechels weet de plek.' (Gustaaf Vermeersch: Het wederzien. 1909)
• In het algemeen gebruikt men te Rousselare geene andere voornaamwoorden dan mechels, dat betëèkènt ik of mij. Dan spreekt men van zich zelven in den derden persoon. Bij voorbeeld: Mechels zal een bruintje buizen. (Ik zal eene pint bier drinken). (De Volksstem, 19/05/1909)
• Mechels melis grolde en mechels maasde geen paan. (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)
• Michels: ik, mij (ook machels, mechels, mijchels uitgesproken). (Tijdschrift voor Nederlandsche taal en letterkunde. 1927)
• (Paul Van Hauwermeiren: Bargoens zakwoordenboek. 2011)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)