Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 03-12-2020

lolbroek

betekenis & definitie

(1959) (inf.) iemand die voortdurend platte grapjes maakt. Bij Querido (De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. Z.j. (dertiende druk). Eerste druk: 1922) vinden we 'lollebroer'.

• De Duivelskunstenaar is een lolbroek geworden... (Tirade, Nummers 90-96. 1964)
• .... de lolbroek van de compagnie. (Paul van 't Veer: De Atjeh-oorlog. 1969)
• Je eerste indruk is dat de verteller bestendig een octaaf te hoog spreekt, de lolbroek ... (Dietsche warande en belfort, Volume 115. 1970)
• Doderer wil graag van zijn image van de meer dan lollige broek af maar hij blijft vastgepind aan de komiek, de hansworst. (Leeuwarder Courant, 01/02/1974)
• En vaak barsten ze bij de eerste grap al in lachen uit, want het staat vast dat je een lolbroek bent. (Johan Diepstraten en Sjoerd Kuiper: Dichters. Interviews. 1980)

< >