Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 09-12-2020

lazarus

betekenis & definitie

1) (1673) (inf.) stomdronken. Letterlijk: besmet met lazerij; melaats, maar deze betekenis is verouderd. De besmettelijke ziekte melaatsheid wordt sinds de Middeleeuwen geassocieerd met de bijbelse figuur Lazarus, een bedelaar vol zweren (uit het evangelie van Lucas 16:20). Wat `melaatse' hier met dronkenschap te maken heeft, is niet meteen duidelijk. Wellicht valt de huidige betekenis dan ook te verklaren uit het woord `opgewekt', dat niet alleen `uit de dood verrezen' betekent, maar ook `vrolijk, opgewekt' (een eigenschap van een dronkaard). In het Nieuwe Testament is Lazarus immers ook de uit de dood opgewekte broer van Marta en Maria Magdalena. Endt en Frerichs (Bargoens Wdb.) denken evenwel aan de eerste Lazarus en dan via lazerus als scheldwoord voor `suf, idioot'.

• Soms reej ik hem van de een naar de ander en 's nachts droeg ik 'm lazarus van de trap en dan maar mijn bakkie in en dan ik de sleutel uit zijn zak gehaald en 'm naar huis gereje en de deur open en 'm naar zijn kamer gedragen en z'n goedje een beetje los gemaakt en dan weg. (Bernard Canter: Twee weken bedelaar. 1900)
• .... iedere nacht komt die vent lazerus thuis en ranselt 'r op... (M.J. Brusse: Landlooperij. 1906)
• Och meneertje heb meelij met mijn, / ik zal nooit meer lazerus zijn. (Köster Henke: De boeventaal, 1906)
• Haar jongen van twaalf ‘lázeres’? Die gooide ál de pepernoten tegelijk in den pot, die dalvenaar. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922)
• We ware allemaal lazarus die middag.... (Willem van Iependaal: Kriebeltjes hoogtepunt. 1937)
• Je bent lazerus, Jan. (H. van Aalst: Onder martieners en bietsers. 1946)
• Ik weet nog een beter begin: op 'n zondagmorgen word ik in m'n diepe slaap opgebeld door een griet met wie ik de vorige avond gedanst heb, maar verder niks, hoor, omdat ik op het laatst stom lazarus was. (Johan Fabricius: Dag, Leidseplein. 1965)
• We waren allemaal zo’n beetje in de lazarustoestand, want als we die kerels aan het werk wilden hebben, dan gingen we toasten. (Armando & Hans Sleutelaar: De SS’ers. 1967)
• Op het ijs merkt niemand dat je lazerus bent. (J. Bernlef: De verdwijning van Kim Miller. 1969)
• Ik heb piloten en stewardessen meegemaakt van de KLM die stomlazerus uit hun hotel moesten worden gesleept... (Jan Cremer: Made in USA. 1969)
• Soms was-ie driemaal op 'n dag lazerus. (Simon Carmiggelt: Twijfelen is toegestaan. 1970)
• Oud en nieuw... bij moe. Waren allemaal een tikkie lazarus - ha, ha. (Theun de Vries: Vincent in Den Haag. 1972)
• Hoe kom ik nou, verdomme, zo lazerus? (Simon Carmiggelt: Ze doen maar, 1976)
• 's Ochtends vroeg al pakte hij de stenen kruik en tegen het einde van de middag was hij lazerus. (Jan Cremer: Sneeuw. 1976)
• Was er nog eentje niet vlug genoeg omdat ie zo lazerus was ... (J.A. Deelder: Bep van Klaveren. De Dutch Windmill, 1980)
• Hij is lazarus, dat zie je, hij slaat wartaal uit… (Alfred Kossman: Hoogmoed en dronkenschap. 1981)
• Om vijf uur zat ik opeens lazarus naar buiten te staren. (Leon de Winter: Zoeken naar Eileen W. 1981)
• ‘Ik ben straallazarus,’ stelde ze vast. (Lisette Lewin: Voor bijna alles bang geweest. 1989)
• (T. van Veen: Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek. 1989)
• Ik heb alle respect voor de mensen die d'r eigen lazarus drinken. (Nieuwe Revu, 27/01/1999)
• Al op zijn eerste vrije dag had hij zich lazarus gedronken van het geld dat hij met zakken plakken had verdiend. (Ton van Reen: Roomse meisjes. 1990)
• En dan wil ik dat iedereen echt lazarus wordt op het feest. Net als bij de begrafenis van mijn oma, waar mijn oom zo kachel was dat hij niet meer op zijn benen kon staan. (Loïs Bisschop: Ik drink niet meer. 2015)

2) (1979) (inf.) lichaam. Weinig frequente variant van lazer*.

• Want dan krijg ik op mijn lazarus... (Johan Fabricius: Hopheisa, in regen en wind. 2e druk. 1979)