Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 23-11-2020

lap

betekenis & definitie

1) (18e eeuw) (Barg. + sold.) tong; (steeds meerv.) oren. 'Z'n lappen openzetten': luisteren.

• Ooren: Lappen. (Nicolas Racot de Grandval: Nederduitsch en Bargoens woordenboek. 1743)
• Lappen (Zet je - klaar, luister, d.i. doe je ooren open. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Telkens weer blijkt een voorliefde voor woorden, die „iets zeggen", aanschouwelijke, beeldende woorden, b.v. „lappen" voor ooren, in : zet je lappen klaar, d.i. luister! (de Sumatra Post, 17/12/1914)
• As-ie komp make me onse lappe ope... (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. Z.j. (dertiende druk). Eerste druk: 1922)

2) (19e eeuw) (scheldw.) dronkaard; slappe vent. Eigenlijk: vod en vandaar: waardeloze kerel. In de Vlaamse uitdrukking ‘op de lappen gaan’ (de kroegen afschuimen; aan de zwier gaan) heeft ‘lap’ echter de betekenis van ‘schoenzool’.

• De gewoonte wordt behoefte: hij is verloren, hij is een dronkaard, een lap geworden, hoe spoedig een smeerlap! (Johannes Kneppelhout: Studentenleven. 1841-1844)
• Lap (met voorvoeging van dronken) = drinkebroer. Ned. pop. (Onze Volkstaal. Deel 1. 1882: Zaansche woorden en uitdrukkingen)
• De man heeft zoo zijn vaste denkbeelden. Ik weet niet, wat hij al niet in dien drank ziet. Dronken? Nu ja, ik hoop nooit een lap te worden; neen nooit! Zoo als bij voorbeeld die baanveger daar. Zijne arme vrouw lijdt honger, en zij krijgt een' dronken man met een leêge beurs t' huis. (C.E. van Koetsveld: Verspreide kinderverhalen.1885)
• Zoo'n gek wijf ook, verleden week heeft ze toch een uur voor die kroeg loope schildere. As de lap d'r dan ziet, dan mot ze binne komme, jawel, dan krijgt ze een glaassie avekaat, o, dan zijn ze zoo lollig, die dronke dweile, zoolang as ze in de kroeg zijn... (H. Hartog: Sjofelen. 1904)
• En waar hij geen dief of „lap", d.w.z. dronkaard, was, en zelfs geene kat letsel zou doen, kon hij gemakkelijk denken en spreken, zooals hij nu deed. (C.M. Dekker: Schetsen uit de strafgevangenis. 1910)

3) (1911) (inf.) bankbiljet. Syn.: bankje*; blad*; flap*; kassavie*; prent*; velletje*.

• Wie op een eerlijke manier z'n brood verdient, kan niet met de lappies van honderd en duizend naar een hoer gaan. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar. 1935)
• Dat doet er verder niet precies toe, maar als ik die vanavond nog vijf lappen van honderd kan geven, of laten brengen, is die met één klap uit alle narigheid. (Willy van der Heide: Kunstgrepen met kunstschatten. 1959)
• Ik heb een lappie van duizend gezien. (Simon Carmiggelt: Oude mensen. 1963)
• Zonder geld was ik zonder pardon achter de tralies gezet, want ik moest wèl weten dat ik hier níet in Nederland zat, waar alles maar mocht of werd goedgepraat. Grif telde ik vijf lappen neer. (J..A. Deelder: Schöne Welt. 1982)
• Lappie, znw. de. Ook: bankbiljet. Hai betaalde mit 'n lappie van duizend. (Jan Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)
• …. ge kunt even goed dat kot van die Bellekens of die Schellekens pakken, een goeie velo kost ook twintig lappen… (J.M.H. Berckmans: Taxi naar de Boerhaavestraat. 1995)

4) (18e eeuw) (Barg.) rok, mantel.

• (Cartouche of de gestrafte booswigt: Uyt het Fransch in Nederduitsche vaerzen. 1731)
• (Nicolas Racot de Grandval: Nederduitsch en Bargoens woordenboek. 1743)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)