(1956) (zeem.) niet-zeeman; landrot.
• „Niets aan te doen, jongs,” zei Kaplie tenslotte, „dat hout is nu eenmaal van die uitgetaande landslurp, dus we nogen het niet meenemen.” (Algemeen Dagblad, 06/01/1956)
• Spelevaren is het intussen zaterdag tijdens de Scheveningse vlaggetjesdag bij lange na niet geworden. De Westerbries joeg de zee nogal hoog op, zodat velen aan boord der ruim 35 uitvarende jolig op de witgekopte golven dansende loggers kennis maakten met het klassieke „spattend nat”, of erger, want de zon beschenen zee lokte menige „landslurp” tot tamelijk diepgaande gesprekken over het genoten ontbijt. (Deventer dagblad, 22/05/1956)
• Wie had dat van zo’n landslurp gedacht die kerel heeft ja leeuwenmoed! (Nieuwe Tilburgsche courant, 10/11/1958)
• Schaterlachend stond Joseph Bizniz met het pakje, dat de supervis was, onder de arm. „Alle kniezebieters nog es an toe!” riep Kappie teleurgesteld. Waarom héb je dat niet eerder verteld, overgehaalde landslurp, dan hadden we niet al die moeite”. Maar Bizniz onderbrak hem met een handgebaar. „Publiciteit, boys, publiciteit!” riep de zakenman glunderend. (stripverhaal Kappie in Nieuwe Tilburgsche courant, 20/06/1960)
• Landslurp. Zeemansterm voor niet-zeeman. (Aldert Walrecht: Woordenboekspel. 1991)