1) (1871) (Barg.) bult. Syn.: kast (6)*. Vandaar ook: bultenaar, mismaakte.
• Kriek m.-en., bochel. Hij heeft het voor zijn kriek, zegt men van iemand die ligt ongesteld of dronken is... (Jacobus Bouman, Pieter Leendertz: De volkstaal in Noordholland; inhoudende eene lijst van woorden die in deze provincie meer of minder gebruikelijk zijn. 1871)
• Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. (Justus van Maurik: Krates, een levensbeeld. 1885)
• Kriek: gebochelde. (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Als je an me lijf komt, vermoor ik je, versta je dàt, bult! . . . . ploert, rot-kriek!” (Herman Oversteeg: Sjofele steentjes. 1908)
• Hij was geen dikzak, geen kaalkop, geen vrouwenhater... maar... maar... een leelijke kriek; een kamer-kameeltje! (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 2: Van Nes en Zeedijk. Tiende druk. Eerste druk 1914)
• (Enno Endt: Een taal van horen zeggen: Bargoens en andere ongeschreven sterke taal. 1969)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)
2) (17e eeuw, vero.) achterste en vandaar ook: lichaam. Reeds in het werk van o.a. Bredero.
• Ik heb pijn in mijn hooft, in mijn rug, in mijn krieck. (R. Visscher: Brabbelingh. 1669)
• Hij heeft het voor zijne kriek. Kriek is een verbloemde naam voor het achterste lichaamsdeel Het spreekwoord zegt: pijn of ' last aan zijn achterste hebben, en daarom niet gemakkelijk kunnen zitten. Men vindt hier dus de beteekenis van n°. 386 terug. (A.E. B. Herroem: Bacchus in spreekwoordentaal, aangetoond in eenige honderden spreekwoorden en spreekwoordelijke gezegden. 1874)
• (P.J. Cornelissen & J.-B. Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch Dialect. 4 delen. 1899-1906)
3) (1984) (< Westfries, inf.) vrouwelijk geslachtsdeel. Ze heeft 't voor d'r kriek: ze is ongesteld; ze is zwanger.
• Kriek, znw. de 1. Soort kers, mogelijk ook soort pruim. Het woord kan ontstaan zijn uit pruma graeca = Griekse pruim. Vgl. het N.E.W. onder kriek. 2. Overdrachtelijk voor vrouwelijk schaamdeel dat immers ook wel als ‘pruim’ wordt aangeduid. Zegsw. ze het ’t voor d’r kriek 1. Ze is ziek, ongesteld 2. Ze is zwanger, ze moet bevallen. – ’t Voor z’n kriek hewwe, 1. uitgelaten zijn, dronken zijn. 2. ziek zijn. (Jan Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)