1) (17e eeuw) (scheldw.) misvormd persoon; bultenaar. Genoemd naar een Griekse filosoof, die door een ongeluk een verlamming aan het onderlijf opliep. Tevens de hoofdpersoon in een verhaal van Cats. Syn.: appelzak*; bocheljoen*; citroendraaier*; kamerkameel*; kriek*; triangel*; zesenderiger*. Een bult is in de volkstaal een karkas*; kas*; kriek*; pukkel*.
• Dat is zoo'n ongelukkige krates, dat ze meer in den weg loopt dan uit de handen neemt. (Vrouwe Bohn-Beets: Onze Buurt, door een ongenoemde. 2de dr. 1871)
• Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. (Justus van Maurik: Krates. 1885)
• O, die kromme krates, met z'n hooge dop met 'n rouwband? (Justus van Maurik: Toen ik nog jong was. 1901)
• Krates, (kriek), gebochelde. (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Kent u die deftige pisang? Zó'n ventje.... met een bult. En dat wou nog erg uit de hoogte doen. Zo'n krates! (Marcellus Emants: Domheidsmacht. Toneelspel in vijf bedrijven. In: Groot Nederland. Jaargang 5. 1907)
• Marie zei het, vóór ze het zelve wist. Ze was in haar hart verbitterd-jaloersch op die kromme krates - zooals ze haar nijdig noemde in stilte. (De Hollandsche Lelie. Jaargang 24. 1910-1911)
• De vader van zijn vrouw, met een nicht van z'n moeder getrouwd, graanmakelaar maar brasseur d'affaires, beheerschte als Belg de heele kluit. Een krates met een pracht van een vrouw; allemaal waren het mooie menschen, allemaal dat gaaf-glanzige Grieksche, bij Zeno verfijnd met z'n vaders trekken. (De Gids. Jaargang 83. 1919)
• Toen grijnsde hij zoetjes naar de krates op de stoep met de pet op zijn glimmende oogen en was alweêr voorbij. (Jac. Van Looy: Jaap. 1923)
• (Enno Endt: Een taal van horen zeggen: Bargoens en andere ongeschreven sterke taal. 1969)
• Krates van Thebe leefde omstreeks 320 vóór Christus, hij was een leerling van Diogenes en hij had een bochel. Sindsdien zijn er meer befaamde bultenaars geweest, maar om de een of andere reden is die naam Krates blijven leven als bijnaam voor iemand, die met wat nu eufemistisch een „hoge rug" wordt genoemd, door het leven moet gaan. (Het Parool, 06/07/1974)
• We kunnen de rug van die kromme krates zien schommelen. (Hermine de Graaf: Aanklacht tegen onbekend. 1987)
• Omdat ik tot nogmaals mijn eigen bevreemding aan de verboden kant van de bielzengrens ben neergezet, denkt hij misschien dat het verbod om die te passeren is opgeheven, als die krates in zijn rolstoel daar mag staan, dan ik ook, denkt hij allicht en is al over de markering heen gestapt, grensoverschrijdend naar zijn gewoonte. (Jeroen Brouwers: Cliënt E. Busken. 2020)
2) (1984) (< Westfries, scheldw.) kwaad wijf.
• krates, znw. de. Furie, kwaad wijf. Vgl. Van Dale die voor krates 'misvormd mens' opgeeft. (Jan Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)