Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 29-10-2020

koning winter

betekenis & definitie

(19e eeuw) (cliché) de winter.

• Hij koestert haar in zijn zonnelach. En schooner wordt zij met elken dag. En waar zij haar zonnig gelaat vertoont, Daar wordt dra Koning Winter onttroond. (Het nieuws van den dag, 02/04/1899)
• Schuchterijes spreidde Koning Winter tot nog toe zijn witte kleeding maar toch was het hier en daar al van verrassende schoonheid. (De standaard, 15/12/1928)
• Eindelijk echter moest zelfs de Geusau, die sterke ijsbeer van de Zuiderzee, het loodje leggen tegen Koning Winter. (K. Norel: Aan dood water. 1938)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend