(19e eeuw) (inf.) ogenblik. Iedere klipklap: ieder ogenblik; iedere kleinigheid, elke bagatel.
• Ieder klipklap loopt hij in en uit. (De Taalgids. Jaargang 2. 1860)
• En wat de staking aangaat, die is te dwaas om van te spreken, dat mensen met een gezond verstand eni iedere klipklap het werk neerleggen om vrouw en kinderen aan de armoede prijsgeven. (Rotterdamsch nieuwsblad, 04/10/1907)
• Dat de maidenspeech sommigen op de tong brandt men kan het begrijpen, maar deze eenmaal achter den rug is er toch geen reden om by iedere klipklap te gaan staan praten. (Nieuwe Rotterdamsche courant, 04/10/1927)
• “Als ik mijn dagaantekeningen naga, staat er toch al iedere klipklap: een lege dag, zit op Andriessen te wachten," zo noteerde het oud-kamerlid Gerda Brautigam die de documenten van de kabinetsformatie van 1973 heeft gebundeld en toegelicht uit de mond van kabinetsformateur J. A. W. Burger. (Het Parool, 11/08/1981)
• Klipklap: ogenblik; ‘iedere klipklap is ‘t-ie hier’. (T. van Veen: Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek. 1989)