Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 14-04-2024

klipgeit

betekenis & definitie

(1953) (wielr.) renner die zeer goed bergop kan fietsen. Maar ook: iemand die goed de bergen kan beklimmen.

• Zijn nietverkiezing inde Franse Nationale ploeg heeft nogal wat critiek opgeleverd, maar Jean is zijn populariteit aan het terugwinnen, nu hij plotseling etappewinnaar en gele trui-drager geworden is, en getoond heeft nog steeds te klimmen als een klipgeit en te dalen als een meteoor, zal hij wel weer snel de lieveling zijn van heel la douce France... (Overijsselsch dagblad, 15/07/1953)
• Dé verrichtingen van de Nederlanders zijn In deze rit teleurstellend geweest. Gerrit Voorting, ook vandaag de snelste renner in Pellenaars equipe, verloor 4 min. en 20 sec. op „klipgeit” Charley Gaul, die in deze etappe een grote triomf behaalde. (Limburgsch dagblad, 20/05/1957)
• Van tegen de bergen opklimmen als een klipgeit af tot en met het inracetempo draaien met een storm in de rug toe. (De Kampioen, augustus 1964)
• Een tocht door het gebied stemt somber. Ondanks zijn manke been klimt de Indiaanse chef als een klipgeit. Al sinds vijf uur vanochtend leidt hij ons over smalle paadjes berg op en berg af. (De Standaard, 30/12/2000)
• Je bent van beneden naar boven en weer terug in totaal 24 uur onderweg. Op twee derde van de tocht zet je de tent op - dan is het eten, slapen en om 6 uur 's ochtends weer verder. Op de top heb je slechts een half uur de tijd, je moet voor het donker weer terug. "Onze drager, een heuse klipgeit, rookte voortdurend kreteksigaretten. (Trouw, 09/04/2015)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend