Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 11-11-2020

klier

betekenis & definitie

(19e eeuw) (scheldw.) vervelend iemand, onuitstaanbaar persoon; mispunt, plaaggeest. Ook wel: klieroog. Van oorspr. gezwel werd de betekenis verruimd tot: iemand die gezwellen heeft; een afstotelijke vent.Er bestaat ook een werkwoord 'klieren': vervelend doen; hinderen.

• Klier, (plat) vervelend, onuitstaanbaar mensch t is een echte klier; een klier van een vent. (Van Dale. 1898)
• Die Pukkie, dat was 'n valsche bliksem. Die had gezeid dat ie nergens van af wist. ... Zoo'n flauwe klier; die had staan grienen as 'n meid: "Och lieve meheertje, 'k heb 't nie' gedaan!" (M.J. Brusse: Boefje. 1903)
• ... wat 'n enge klier, smeert ze 'm zoo met 't statiegeld. (Jacob Israël de Haan: Pijpelijntjes. 1904)
• Pa zegt: 'Als het nou moet, schat,
Dan fuif ik op een bloedbad,
Ben je dan pas tevree, klier,
Ik maak de Rooie Zee hier!' (Louis Davids: Weekend in Scheveningen. 1932)
• Hij wou, dat ie die vervelende klier maar kwijt was. (Jan Mens: Mensen zonder geld. 1939)
• Met die klier heb ik heelemaal niks te schaften, zei hij, maar melken zul je! (de Groene Amsterdammer, 31/08/1940)
• Jessies wat een klier toch! (Piet Bakker: Ciske de rat. 1941)
• En de klier heeft woord gehouden. (Johan Daisne: De trap van steen en wolken. 1942)
• De andere commandanten luisterdan verveeld. Die klier ook altijd! (Piet Bakker: De slag in de Javazee. 1951)
• Op mijn plaats aan de perstafel lag een briefje van die klier. (Piet Bakker: Zo was het. 1957)
• Ans, ik vind 'm toch zo'n walgelijke klier... (Simon Carmiggelt: Morgen zien we wel weer. 1967)
• Was hij drankzuchtig, seksueel bandeloos of alleen maar een vervelende klier. (Simon Carmiggelt: Je blijft lachen. 19??)
• Toch heb ik twee... die NSB-klieren... Van der Wal en z'n maat ... om zeep geholpen. (Johnny van Doorn: Gevecht tegen het zuur. 1984)
• Wat wil die klier toch? (Hans Dorrestein: Alle verhalen. 1990)
Op een zondagmorgen in mei kwam Robbertje van acht helemaal alleen van Eindhoven naar Geldrop gefietst. ‘Wat komt die klier doen?’ (A.F. Th. Van der Heijden: Weerborstels. 1992)
• Studentikoze klieren - dat zijn de hoofdpersonen van Shallow Grave. Alles en iedereen buiten hun exclusieve drieëenheidje wordt belachelijk gemaakt, bespot, geweerd, afgezeken. (NRC Handelsblad, 14/05/1995)
• En nou ben ik bang dat ik zelf een klier ben. (H.P. de Boer: Heks, ik hou van jou. 1996)
• Studentikoze klieren - dat zijn de hoofdpersonen van Shallow Grave. Alles en iedereen buiten hun exclusieve drieëenheidje wordt belachelijk gemaakt, bespot, geweerd, afgezeken. (NRC Handelsblad, 01/06/1996)
• 'Vuile klier,' koelde ik mijn woede op mijn vriend, 'jij kunt lekker werken, maar ik tel niet mee omdat ik vrouw ben en dus moeder kan worden.' (Opzij, januari 2001)
• Ze kenden hem als 'een klier' die de botsautootjes saboteerde. (Nieuwe Revu, 18/06/2003)
• Toen werd hij ineens wakker en riep achter dat gordijntje: “Stelletje klieren!” (Mensje van Keulen: Alle dagen laat. Dagboek 1976. 2006)
• ‘Ga weg, klier,’ zei ik. ‘Ik lig net zo lekker.’ (Hanneke de Jong: Weg met de jongens! 2011)
• De zesdeklassers waren serieuzer, al zaten er een paar klieren tussen. (Martje van der Brug: Havo is geen optie. 2013)