Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 27-06-2023

katten

betekenis & definitie

1) (1919) (inf.) hatelijke opmerkingen maken. Afgeleid van kat* (standje), dat op zijn beurt is verkort uit bekattering*. 'Gaan we katten?' Uitroep wanneer iemand ruzie zoekt.

• Iemand of iets katten, als minderwaardig afkeuren. (Spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen, voornamelijk uit Goeree en Overflakkee. In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13. 1919)
• Ik heb zelf genoeg jongens gekat die dachten het cadeau te krijgen, of een lik smeer of blanko alleen voldoende was. (Henk van Kerkwijk: Tot de aanval. 1968)
• Vuile ouwe zwerverd, mot jij me kinderen katte, pleurishond. (Haring Arie: Recht voor z’n raap. 1972)
• We gaan toch niet katten hé ouwe. (Ben Borgart: De slakken van Canêt d'Olt. 1973)
• Katte, w.w. 1. Afsnauwen, vitten, treiteren. 2. Afdingen. 3. Gekochte waar niet in ontvangst nemen, een koop annuleren. (J. Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)
• Maar van het ene moment op het andere was het afgelopen met het gekat. (Valentine Kalwij: Lefgozers. 1986)
• 'Staak het gekat; we have problems, boys,' gebood Dolf. (Boudewijn Büch: Links!: een rode burleske. 1986)
• ‘Je bent net een inlandse zo...’ katte Linda Vink. ‘'t Is een schande, wat ze ons blanke vrouwen durven aandoen.’ (Margaretha Ferguson: Angst op Java. 1991)
• Je wijst me af, je zit op me te katten. (Anna Enquist: Een meesterstuk. 1994)
• We werken al langer samen dan Laurel en Hardy maar nog altijd kan ze het niet laten te katten over de rolverdeling. (Bent Goorman: Loser de luxe. 2011)
• Er was ook nooit één speler het mikpunt. Ze kregen allemaal hun vet. Het was meer katten, zuigen. Eindeloos zeiken tegen Jan Klaassens waarom hij jasjes van Pi Scheffer droeg. (Jan D. Swart, Johan Derksen: Kanjers, culthelden en engnekken. 2014)
• Om even weer op Battus te katten: dialogen meneer; ik teken ervoor. (Nanne Tepper: De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001. 2016)

2) (19e eeuw) (handel, Barg.) koopwaar die niet voldoet terugbrengen.

• katten b. werkw., staken, na een gedanen koop zijn woord terug nemen, koop breken. Hij heeft het aangenomen werk gekat, hij kat den boel. (J. Bouman: De Volkstaal in Noord-Holland. Inhoudende een lijst van woorden, die in deze provincie meer of minder gebruikelijk zijn. 1871)
• Hij had zen terr (tarwe) wel verkocht, maar ze hebbe ze gekat. (A. Opprel: Het dialect van Oud-Beierland. 1896)
• Katten: gekocht goed terugbrengen. (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (G.J. Boekenoogen en K. Woudt: De Zaanse volkstaal. 1821-1971)
• Katten: gekochte goederen bij de aflevering afkeuren en weigeren, dan wel een reeds gesloten koop teniet doen. Een begrip dat in vorige eeuwen opgeld deed en dat was afgeleid van spreekwoorden als „de kat in het garen smijten": moedwillig ergens een warboel van maken. (Het vrije volk, 17/07/1989)
• Omkatter: (Bargoens voor) specialist in het versleutelen van twee of meer van diefstal afkomstige auto's tot een geheel nieuwe creatie, in welk exemplaar de herkomst van de gebruikte materialen niet vast te stellen is. Hoort bij het werkwoord omkatten. Het begrip kwam op en ging onder in de tweede helft van de jaren '80. Houdt wellicht verband met ouder katten: een zaak bij koop afkeuren: (het Vrije Volk 22/10/1990)

3) (19e eeuw) (zeem.) zie citaat.

• Katten: 1) de kat uitwerpen, het anker versterken. 2) met den kattakel het anker uit het water lichten en onder den kraanbalk hijschen, hgd. katten, de. katte, zw. katta, engl. to cat. (Jacobus van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)