(1956) (stud.) kandidaatsexamen. Vgl. propjes*.
• De missionaris besloot toen de normale studie voor arts tot het kandidaatsexamen te gaan volgen. Zijn verlof werd met drie jaar verlengd en als medisch student werd hij aan de Groningse universiteit ingeschreven. Dat was in 1949. Drie jaar later had de priester zijn „kantjes". (De Volkskrant, 03/06/1958)
• Een niet-Corpslid sprak over zijn 'kast' terwijl een Corpslid daarvoor gewoon 'kamer' zei, maar daarentegen noemde deze een meisje weer wel een 'pop', en het kandidaatsexamen 'kantjes'. (Boudewijn van Houten: De Ontgroening. 1971)
• Kantjes: kandidaatsexamen. (Piet Grijs: Blijf met je fikken van de luizepoten af. 1972)
• (Mon de Goeyse: O Vrij-Studentenheerlijkheid. Historisch-studentikoze schetsen. 1987)
• Na verloop van tijd haalde men dan de propjes , het ' propedeutisch examen ' , en de kantjes het ' kandidaatsexamen ... (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991)
• Een student die zijn 'kandjes' had gehaald, gaf een feestje in het huis van zijn ouders. (Lisette Lewin: Een hart van prikkeldraad. 1992)
• Ik ben na mijn Gotisch afgeknapt en zal een zwaar vierde jaar krijgen, wil ik mijn kantjes [kandidaats] op tijd doen. (Elsbeth Etty: In de man zit nog een jongen: Willem Wilmink – de biografie. 2019)