Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 06-06-2023

jodenfooi

betekenis & definitie

(eind 19e eeuw) (bel.) armzalige fooi waarmee men iemand afscheept; gering loon. Vgl. hondenfooi*; Rotterdamse* fooi.

• Jodenfooi v. (-en), geringe, onbeduidende fooi; een gering loon ; voor zoo’n jodenfooi wil ik geen heele week werken. (Van Dale 1898)
• je zult wel een jodenfooi (niets) gekregen hebben. (Wijnand van Schothorst: Het dialect der Noord-West-Veluwe. 1904)
• God had 't zoo beschikt, had 't daarheen gestuurd, dat hij, Post, in zelfverachting zou inzien, dat hij niks was: een prul, een lamlul, net beroerd genoeg, om dankbaar te zijn, als hij hard mocht werken voor een jodefooi. (H. Hartog: Sjofelen. 1904)
• Voor zoo'n jodenfooi wil ik geen heel week werken (Voor een zoo gering loon). ((Alfons de Cock: Spreekwoorden en zegswijzen: afkomstig van oude gebruiken en volkszeden. 1908)
• Te Amsterdam staan bij de bruggen vaak mannen die voor een kleinigheidje' zware karren tegen dé bruggen helpen optrekken. Het is een baantje voor menschen die niets beters te doen hebben, en toch een duitje willen verdienen, ook wel voor luiaards en kringetjesspuwérs. Het is een werk waarmede een jodenfooi (eigenlijk een halve stuiver), een gering loon, te verdienen is. Het is duidelijk, dat bruggetrekker de beteekenis van „leeglooper" kon krijgen. (De Telegraaf, 02/06/1914)
• Onder Jodenkoffie of boerenkoffie verstond men koffie met kaneel, suiker en melk ; onder Jodenkoekjes een soort van klein gebak, platte ronde koekjes van eene bijzondere samenstelling, waarvan sommige Joodsche bakkerijen als 't ware het fabrieksgeheim bezaten ; onder Jodenkost in 't algemeen de gerechten, waarop Joden gesteld waren; onder Jodendiner (een term uit het restaurant) eene portie gebakken aardappelen met een croquet; onder Jodenfooi een gering, onbeduidend drinkgeld, b.v. een halve stuiver; onder Jodenwinst een woekerwinst, enz. Eveneens werd eene ongustige beteekenis gehecht aan Jodenstruif, d.i. een struif uit ondeugdelijke bestanddeelen bereid. (De vrijdagavond; joodsch weekblad jrg 2, 1926)
• Een jodenfooi." Den Hengst antwoordde vaderlijk: „Maar jongen, je begint toch pas. (Jan van Rheenen: Helpers weg! 1944)
• ... en overal buigende kerels, die hun poot ophielden voor een jodenfooi... (Simon Vestdijk: Pastorale 1943. Gepubl. 1948)
• Jij in ieder geval niet meer dan een jodenfooi, Lexie, ouwe jongen. (Ward Ruyslinck: Het dal van Hinnom. 1966)
• Wat heb je aan die jodenfooi uit Duitsland? (Hermine Heijermans: Nog meers minnaars en vele lichte vrouwen. 1972)
• Maar hij staat toch wel met een mond vol tanden als hij in de visafslag hoort dat Jaring de Jager helemaal geen kommeraal had, alleen wat luizige botjes, een jodenfooi waard. (Catalijn Claes: Zilveren zielen. 1978)
• Het scheelde weinig, of hij wenste maar, dat Spallanzani hem met een jodenfooi af zou schepen. (Simon Vestdijk: De filmheld en het gidsmeisje. 1983)
• Ik heb geleerd me te realiseren dat veel mensen het woord jodenfooi gebruiken zonder dat ze er iets meer mee bedoelen dan een fooi van niks. Vroeger had ik erop losgeslagen, nu haal ik slechts mijn schouders op voor een jodenfooi. (Nieuwe Revu, 02/10/1996)
• Op het koperen geld een zilveren muntje, verbluft kijkt hij erop neer. Een jodenfooi, gaat het door hem heen. Zo koop je armen af. (Catalijn Claes: Ons dagelijks brood. 2012)
• Kunstwerken werden geweigerd of beloond met ‘jodenfooien’. (Thé Lau: Juliette. 2014)
• Jodenfooi: heel weinig fooi. (Mirjam Deen & Lisa Maschhaupt: De Amsterdame. Levenswijsheden, ongeschreven regels en aangepaste wetten. 2018)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.