Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 10-11-2020

jeneverneus

betekenis & definitie

(19e eeuw) (inf.) rode neus ten gevolge van overmatig jenevergebruik; vandaar: drinkebroer. Gesignaleerd door J. Schuitemaker in het weekblad ‘Buiten’ (oktober 1920). Ook gebruikt voor iemand die in Schiedam geboren is.

• Daarom, mijne vrienden! drinkt wijn, zoo veel gij wilt, maar houdt u af van alle wijnen, die de goede smaak veroordeelt; of gij stelt u zelven gelijk met een jeneverneus, een schandvlek der maatschappij; die aan hoogst misdadigen drank zijn laatsten stuiver verspilt, terwijl zijne kinderen naar brood snakken. (A. Gijsberti Hodenpijl: Willem van Bergen, student aan de Leydsche hoogeschool. 1842)
• Mijn hart was geen boontje groot en ik werd zoodanig rood, dat de andere kladderaars riepen: Zie, den Amerikaanschen jeneverneus! den Amerikaanschen jeneverneus! (Eugeen Zetterman: Volledige werken. 1876)
• ... een jeneverdrinker, een jeneverheer, een jenevergast, een jeneverplodde, een jeneverbuik, een jeneverneus, een jeneverkloot, een jeneverkous, een jeneverleerze (D. B. ), een jeneververken, een jeneverkanne, een jeneverkraker… (De Navorscher. 1897)
• Hij lachte er maar om, tot een der jongens, een flauwe lummel vlak bij zijn oor zei: - Jeneverneus! (A.C.C. de Vletter: Paljas. 1902)
• jeneverneus (volkstaal) rode neus die het gebruik van (te) veel jenever verraadt. (Johanna van Reeuwijk: Groot Nederlands Drankwoordenboek. 1984)
• (Jack de Graef: Het Antwerps dialect van dezekestijd tot in de 21e eeuw. 1999. 11e druk)
• Ik ben op 15 oktober 1977 geboren in Schiedam. (Ik ben dus een jeneverneus, want zo noemen ze de mensen die in Schiedam geboren zijn). (Hoeksteenkrant, kerst 2001)