(19e eeuw) (spot.) traag persoon.
• Hij is een trage: 't Is Jan Tijdgenoeg, hij heeft lood in zijne schoenen, loopt met lange hielen, is van geenen haas gemaakt, is lang van stiel. ‒ 't Is traag gewonnen en rap verteerd: te voet gewonnen, te peerde verteerd. ‒ De zieken komen rap en keeren traag: komen met hazepooten binnen en vertrekken met ossepooten. ‒ Ziet eens hoe traag hij gaat: zou men niet zeggen hij gaat om de dood? (Amaat Honoraat Joos: Schatten uit de volkstaal. 1887)
• In de volkstaal, niet zelden als spreekwoord of spreuk, wordt menige eigennaam schertsenderwijs aangewend om een gansch tegenovergesteld begrip voor den geest te roepen dan het uitgedrukte. Vele bestaan uit een wortelwoord met een uitgang. Een gierigaard zal men aldus in Vlaanderen Gevaert heeten, waarbij niet zelden gevoegd wordt: Gevaert is dood, maar Hebbaert leeft nog; een traag mensch: Jan Tijdgenoeg; iemand die den rijke uithangt, maar eigenlijk niets bezit, het type van den armen edelman in één woord: Baron Geegoed (= geen goed, geklemtoond op de eerste lettergreep). Hij voert de firma: Pauvreté, Misère et Cie. (Taal en Letteren. Jaargang 2. 1892)