Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 09-06-2021

Jan Rap en zijn maat

betekenis & definitie

(17e eeuw) (inf.) gespuis, canaille, achterbuurtvolk. Destijds sprak men ook van 'Hak en zijn gemak'; tegenwoordig hebben we het over aso's*. Oorspronkelijk in de zeventiende eeuw een aanduiding van het lagere scheepsvolk. Bredero gebruikte de uitdrukking al in zijn 'Klucht van een huysman en een barbier'. P.A. De Genestet gebruikte ze in de zin van: iemand die al te snel/rap nieuwe wetenschappelijke inzichten omarmt ten koste van religieuze opvattingen.Verschillende verklaringen omtrent de herkomst werden gesuggereerd. Het zou om een verbastering gaan van Daniël Raap, die in de vroege achttiende eeuw aan het hoofd stond van de doelisten, een destijds in de Amsterdamse Kloveniers-doelen vergaderende partij. Uit het bovenstaande blijkt echter al dat oudere vindplaatsen dit tegenspreken. Anderen menen dat het komt van `rapen, oprapen', of dat het een verkorting zou zijn van rapaille*. Bepaalde lexicografen brengen de uitdrukking in verband met het Middelnederlandse woord rap, `schurft' (deze betekenis komt overigens nog in Vlaanderen voor). Ter Laan wijst op een verwante Groningse uitdrukking 'rap en roet', hetgeen letterlijk `allerlei onkruid' betekent en figuurlijk gebruikt wordt voor `het allerminste volk'. Het WNT geeft als variant nog Jak en Jooi. De herkomst is dus lang niet duidelijk. De uitdrukking is nog steeds erg populair. Yvonne Keuls schreef in 1977 het boek Jan Rap en zijn maat, later bewerkt tot een toneel- en hoorspel en ver-filmd. In het politieke milieu van de jaren tachtig van vorige eeuw werd Jan Rap en zijn maat even-eens gebruikt als bijnaam van premier Lubbers en zijn secondant Gerard van der Wulp (`Haagse Post', 12/12/1987). De CD en haar omstreden voorman Janmaat werden ooit in de pers spottend `Janmaat en zijn Rap' gedoopt.

• ’t Is Jan Rap, met zyn maat. Jan is een gemeene naam, gelijk in Jan Alleman. ’t Is doch even veel, hoe dat het kind heet. Rap is rappig, schurft. Het zegt dan, schurfde Jan met zyn makker, die slechte gezellen, jakhalzen, en schobbejakken zyn. Ziet de Fakkel van Jan bladz. 155. Van Jakhals, bladz. 154. en van schobbejak, bladz. 326. Tot schobbejak zal schobber behooren. (Carolus Tuinman: De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal. Deel I. 1726)
• Jan Rap en zijn maat, het volk, iedereen uit den minderen stand. Bredero gebruikt deze uitdrukking in de ‘Klucht van een huysman en een barbier’, en de Génestet in een zijner leekedichtjes om daarmede het ‘groote publiek’ aan te duiden. (Taco H. de Beer & Eliza Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Wilde men lachen, dan naar de kleine burgerij, naar Jan Rap en zijn maat. (G. Kalff: Ge-schiedenis der Nederlandsche letterkunde. 1910)
• Diamantslijpers, toneel- en draaiorgelspelers, huisjesmelkers en duivenmelkers, Jan Rap, maar ook zijn beter gesitueerde maat. (Piet Bakker: Jeugd in de Pijp, 1946)
• Het volk heete in de mond van de besturende standen Jan Rap. Maar als de heren Jan Rap nodig hadden voor een koningsgezinde betoging, het schreeuwen van hoera, het klungelen met vlaggen en vetpotjes of het afrossen en plunderen van de socialen, dan sloegen ze een milder toon aan tegen het vulgus. (Willem van Iependaal: Vaste koers. 1949)
• Al wat staakt wordt beschouwd als Jan Rap en zijn maat, waard om zonder pardon neergeknald te worden. (Jan Mens: Er wacht een haven. 1950)
• Jij denkt, die boerenlul betaalt wel. En als hij pleiten is, dan voos ik met jan rap en zijn maat. (Harry Boting: Wie geeft me jatmous? 1965)
• (Annemarie Houwink ten Cate: Signalement van sprekende zegswijzen. 1978)
• 'Domela mot zakkies plakke', - dat joelt het volk dat feest mag vieren, omdat zijn onbemin-de koning 70 jaar geworden is. En toch nog maar wat blijft regeren, bij gebrek aan een vol-wassen troonopvolger in dezelfde Oranje-dynastie. Want of de leden van die dynastie door de eeuwen heen nu eens meer, dan weer minder betekenden, aan 'Oranje' is het volk van-ouds getrouw en het weet hoe een Oranjefeest gevierd moet worden: enkele dagen en vooral nachten-lang zijn de straten dan niet meer het toneel van burgerzin, vroom fatsoen en klein of grof gewin, maar zij stromen vol met plebs, zoals het van achter de hoge ramen van de regentenhuizen afkeurend wordt genoemd, dat is: 'de heffe des volks', Jan Rap en zijn maat, het janhagel, het grauw, het schorriemorrie, rapalje, tuig van de richel..., - het onbehagen vindt er namen genoeg voor. (Enno Endt: Ons schoon-zijn is de bloei der begeerte', verschenen in Richard Bionda en Carel Blotkamp (red.), De schilders van Tachtig. Nederlandse schilderkunst 1880-1895, 1991)