Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 22-08-2020

intiem zijn met iemand

betekenis & definitie

(1940) (ook: iemand intiem kennen) (euf.) seksueel contact hebben. Zie ook: intiem* contact.

• Want al had zo'n kerel zélf een vrouw, hij was er niet vies van om de knappe kasteleines uit de Gouden Reael een beetje intiemer te leren kennen... (Jan Mens: De gouden Real. 1940)
• We zijn al veel te intiem met elkaar geweest. Waarom niet? denk ik, waarom mag je niet te intiem met elkaar zijn? (Maarten ‘t Hart: Ik had een wapenbroeder. 1973)
• Op de maat van hun ritme wipte de ouwe kat op het voeteneind mee, ook de dieren waren nooit weggejaagd, wanneer zij intiem waren. (Marjan Berk: Liefde en haat. 1982)
• Als we die veertien even aanhouden, dan heb ik er vier liefdes onder, een paar passanten, de nodige misverstanden, en met twee ben ik tegen mijn zin intiem geweest, waarvan een ronduit gezegd met afkeer. (Monika van Paemel: De vermaledijde vaders. 1985)
• Ik ben dus nog nooit écht intiem met haar geweest. (Herman Brusselmans: Heden ben ik nuchter. 1986)
• De ijzig brandende whisky maakt je misselijk. Heb je nooit eerder gedronken. Maar beken dat maar eens aan zo’n madam. Je hebt dus geen ‘Franse massage’ gehad en je bent al helemaal niet ‘intiem’ geweest – maar voor consumpties en gezelschap moet je ook betalen, dus echt afgezet ben je niet… (Joost Zwagerman: Het jongensmeisje. Verhalen. 1998)
• Jij wilt alleen maar intiem worden als ik met je zou trouwen. (Lulu Wang: Seringendroom. 2001)
• Ze had niets met die man gehad, ze kende hem niet eens, maar toch had ze hem afgewezen, wat erop duidde dat ze op de een of andere manier toch intiem met hem was geweest, of op zijn minst signalen had uitgezonden die die man konden doen denken dat hij iets met haar had, of zou kunnen krijgen. (Martin Bril: Evelien voor altijd. 2008)