Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 02-01-2025

Indo

betekenis & definitie

(19e eeuw) (pej.) in het koloniaal verleden werd dit beschouwd als een ietwat aanstotelijke en te vermijden afkorting van Indo-Europeaan, waarvoor men het woord Indiër heeft ingevoerd. In Indische kringen zei men in het midden van de twintigste eeuw wel eens grappenderwijs dat Indo een acroniem was van ‘In Nederland Door Omstandigheden’. Eigenlijk is een Indo iemand van gemengd, Europees en Aziatisch (maar ook Afrikaans) bloed. Een verdwaalde Indo noemde men een 'Indo kesasar' . Thans allang geen scheldwoord meer (zie citaat Vrij Nederland). Jonge Indische Nederlanders gebruiken de term de laatste tijd zelfs meer en meer als geuzennaam, als uiting van trots over hun Indische identiteit. Indo werd al opgetekend in 1898.

• Zoover moet de Indo komen, dat hij zich zelf wil zijn. Niet pogen te schrijven, wat hij niet, is. Zulke halfheid fnuikt hem. Hij heeft een eenvoudige leus. Uit den schimpnaam „Indo” moet bij een eerenaam maken, naar Hollandsch geuzenmodel. Die leus is: „Ik hen een Indo.” Ik doe in geen enkel opzicht voor een ander onder!! (De expres, 22/03/1912)
• Bij de behandeling der Europeesche praktijk werd deze weer onderverdeeld in die bij de ras-echte Hollanders, de vreemdelingen en de Indo's, en elk dezer groepen nader besproken. (NRC Handelsblad, 29/04/1918)
• Maar bovendien -en dit is de tweede oorzaak- de inlander ziet in den Indo slechts den bas-taard; de Indo is voor hem "anak soendal", (hoerekind), het voor den Indo meest grievende, want zijn moeder beleedigend, scheldwoord. (de Groene Amsterdammer, 07/01/1922)
• De Totoks gaan er aan de drank, de Indo's keren tot de natuur terug en de tuinen worden verwaarloosd. (Beb Vuyk: Duizend eilanden. 1937)
• Leiden had zich nooit in een hoek laten dringen, terend op vergane glorie; het was een levende stad gebleven, levendig overdag, met een glimp zelfs van kosmopolitisme door Indo's, Javanen, Chinezen. (F. Bordewijk: Noorderlicht. 1948)
• Indo, verkorting van Indo-Europeaan, kind van Europese vader en Indonesische moeder. (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)
• We praatten over de meest uiteenlopende onderwerpen, zonder omwegen, vaak snel en hard als een rechte directe bij het boksen. Over God en geloof, over mensen, over opvoedkunde, over verschil en overeenkomst tussen Blanda’s en Indo’s, over onszelf en over onze opvattingen van zedelijkheid. (Vincent Mahieu: Tjies. 1958)
• De Indo’s vormden groepjes die gehurkt in het zand gitaar speelden. (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. 1964)
• Het hinderde hem enorm maar hij reageerde niet, zoals de meeste Indo's, door zo Europees mogelijk te doen … (Margaretha Ferguson: Maanlicht en middagzon. 1965)
• Hij heeft naar een oorzaak gezocht, doch zichzelf geschikt bevonden, ijverig en met vreugde voor het werk; er is geen enkele reden dan de kleur, dat de Indo gepasseerd werd en de totok benoemd. (Beb Vuyk: Verzameld werk. 1972)
• Die Indo'tjes waren veel feller. (Simon Carmiggelt: Brood voor de vogeltjes. 1974)
• Er was ook een ander slag Indo’s. (Johan Fabricius: Het gordijn met de ibissen. 1974)
• Je weet dan niet meer of hij een Javaan is of een Indo, een half bloed zoals ik er eentje ben. (Margaretha Ferguson: Hollands-Indische verhalen. 1974)
• Boléh jij, jij bent een echte Indo. (Marion Bloem: Geen gewoon Indisch meisje. 1983)
• Een groene Kübelwagen reed ons ronkend voorbij. Er zaten vier Duitse soldaten in. Dezelfde donkerbruine gezichten die ik eerder die dag had gezien. "Dat is Legion Freies Indien!" beweerde de buurjongen. 'Indo's. Die noemen we hier blauwe keeshonden. Die gaan neuken!' (Jan Cremer: Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen. 1993)
• Meester Feiser, ‘die gore Indo’, blies op zijn fluitje (Louis Ferron: De Walsenkoning. 1993)
• Buitenlandse, gekleurde kinderen zaten er nog niet op de Prinseschool, op de spaarzame Indo’s na. (Clifford C. Cremer: Bomberjack. 2000)
• Als hij verklaart dat hij nog nooit een negatieve reactie heeft gekregen als hij vertelde over zijn achtergrond, knikken de anderen instemmend. 'Indo' is in Nederland allang geen scheldwoord meer, maar juist leuk exotisch. (Vrij Nederland, 14/06/2003)
• Hij zou ook het verdriet van zijn moeder wreken. Geen belanda of Indo was nog veilig voor hem. (Peter Storm van Leeuwen: Iedereen eet sambal. 2013)
• Indo is een afkorting voor Indo-Europeaan, voor mensen die zowel Indonesische als Europese voorouders hebben. Een benaming die ons plaatste tegenover de volbloed Hollander. In het geboorteland van mijn ouders werd er onderscheid gemaakt tussen Hollanders, de blanke bewoners die daar niet geboren waren en Indo’s. (Marion Bloem: Indo. 2020)
• Indo is lang een scheldwoord geweest. Het verwijst naar een Indische Nederlander die aan lagerwal is geraakt. Samenhokkend in een kampong met een Javaanse vrouw is hij nagenoeg alles van zijn Nederlandse beschaving kwijtgeraakt. Hij eet alleen met zijn rechterhand, is lui, snel gekrenkt, een vechtersbaas en spreekt petjoh, de Maleis-Nederlandse creooltaal. (Hans Moll: Sluipschutters in de tuin. Een Indische geschiedenis. 2021)

< >