(1726) (inf.) zijn verstand verliezen; in de war raken. Soms ook: dronken zijn. De zoete geuren van de bloesems van bonen stonden al in de oudheid bekend om hun bedwelmende invloed op de geest.
• Hy is in de boonen. Dat wil zeggen, ’t schort hem in de herssenen. De boonen konnen in ’t bloeyen door haaren laffen reuk de herssens ontstellen. Men vind’er wel, welke op dien tyd van den bolworm plegen gereden te worden. (Carolus Tuinman: De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal. Deel I. 1726)
• boonen. Zegswijs: in de boonen wezen: in de war, van ’t stuk, de kluts kwijt zijn (ook Gron.); ’t is jao krek of ei glad in de boonen zint (v. Dale verklaart het door: in verlegenheid zijn.) (H. Molema : Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw. 1889)
• Spr. In de boonen zijn, dronken. (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. Aanhangsel. 1906)
• Een anderen God? Wou je er dan nog meer dan één? Ik geloof warempel kind, dat jij een beetje in de boonen bent! (Carry van Bruggen: Het verspeelde leven. 1922)
• Het eenige tastbare resultaat is, dat de luisteraarsgroep die juist een beetje aan een vast programma met vaste menschen begon te wennen, en ermee vertrouwd raakte, heelemaal „in de bonen" komt en wéér.... alwéér iets nieuws krijgt voorgeschoven. (Cinema en Theater, 11/06/1943)
• (Dr. C.G.N. De Vooys: Verzamelde taalkundige opstellen. Deel III. 1947) p. 232
• Hij is (of zit) in de bonen! Deze uitdrukking zal in alle streken van ons land wel bekend zijn en dan in de betekenis van: in de war zijn, zich vergissen, of in het algemeen: verward denken of handelen. Het W.N.T. geeft er verscheidene voorbeelden van: ‘Neen vriendje, nu ben je toch helemaal in de boonen: je weet niet wat je zegt.’ (Onze Taal. Jaargang 20. 1951)
• Neen maar.... ben ik nu in de bonen of ben je 't heus, Gerreldientje? (Anne de Vries: Jaap en Gerdientje. Deel 9. In het warme land. 1953)
• ‘Bij Marengo, Sire!’ was het antwoord van de recruut. Die jongen was helemaal in de bonen zoals ze dat tegenwoordig populair uitdrukken... (Jan van Ees: Wat krijgen we nou? 1954)
• ‘Die man is in de bonen,’ zei ik tegen Tonny. En tegen de Engelsman: ‘I'm so sorry, sir, you are talking about Belgium. We live in Holland.’ (Herman Pieter de Boer, Rijk de Gooyer: Krentenbollen, kogels en klatergoud. 1968)
• Nou in de bonen ben je. (Arie B. Hiddema: Dag heer. 1970)
• (Annemarie Houwink ten Cate: Signalement van sprekende zegswijzen. 1978)
• Als je wegging, riep je: Bep, doe even een pakkie Stimorol. Dat was de gewoonte, om voor jezelf de suggestie te wekken dat je weer helemaal nuchter was. Ik was die dag zo in de bonen dat ik die gulden regel helemaal vergeten was. (Jos Palm: Oerend hard. Het onmogelijke høkersleven van Ben Jolink. 2005)
• NB: die nieuwe vertaling wordt toch een Vlaamse vertaling? Of ben ik nu in de bonen? (Nanne Tepper: De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001. 2016)