Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 18-08-2020

2020-08-18

hun

betekenis & definitie

(1911) (spreektaal. Oorspr. volkstaal in Holland, niet in de rest van Nederland) zij. Deze taalkundige fout is ondertussen wijdverbreid geraakt, vooral door de televisie. Zie ook: hullie* en hunnie*.

• Hun willen ook graag trouwen –net als jullie toen. (Johan Fabricius: De kop van Jut. 1970)
Donderdag 10 juli Heissenberg en Mayer kwamen uit Breda. Met hen nog gezwommen. We hebben zo'n beetje een afscheidsfuif gehad. Hun hebben nog lang doorgefuifd. (het Parool, 25/02/1995)
• Nee, ik ben bezig met re-cy-cling, left-overs, weet je wel. Wat hun weggooien, kan ik weer gebruiken. (Stella Braam: Tussen gekken & gajes. Avonturen in de undercover-journalistiek. 2003)
• Hun zijn allemaal amateurtjes hiero! (Maan Leo: Huwelijkse voorwaarden. 2014)
• Stommerd, hún moeten raden! (Jacques Klöters: Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Mijn journaal. 2016)
• Een sportpagina uit De Telegraaf, met onder de vette kop een grote foto van Johan Cruijff in het shirt van FC Barcelona. Het licht van de lamp weerspiegelde hinderlijk in het glas, maar hij kende de tekst uit zijn hoofd: Hun begrijpen mijn Spaans niet, maar dat leren ze nog wel. (Pim Hermans: Dooie dagen. 2017)