Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 14-08-2020

hoofd

betekenis & definitie

(1938) (schol.) hoofd van de school. Vgl. Eng. the head.

• Het resultaat was dat Meneer Petri, die brave man, mij in zijn klas nam en dat ik toen door geen schoolmeester meer geranseld ben. Dit hoofd was een uiterst vriendelijk en humaan man, die mij als het nodig was, streng maar rechtschapen den weg wees en later veel plezier had in de zonderlinge verhalen die ik deed, net zoo als ik ze van mijn vader gehoord had, zoodat ik dadelijk van hem hield en mijn best voor hem deed. (Aegidius W. Timmerman: Tim's herinneringen. 1938)
• Wie er met het ‘hoofd’ ging praten: Martje niet. Ze zou echt niet weten, wat ze moest zeggen, het hoofd van een school leek haar een heel hoog persoon. (Jan Mens: De kleine waarheid. 1964)