(16e eeuw, vero.) gezegd van iets dat onwaar is, een sprookje. Eigenlijk: praatjes van (spinnende) vrouwen. De uitdrukking komt voor in o.a. het werk van Bredero.
• Dat is het evangelie van het spinrokken. (P.J. Harrebomée: Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal. 1858-1862)
• Evangelie van het spinrokken (Dat behoort tot het -, dat is een sprookje; dewijl de moeders en oude vrouwtjes veelal onder 't spinnen haar sprookjes plachten te vertellen. Vgl. I Timoth. IV. 7. Reeds in 1493 verscheen er een werk getiteld les Evangiles des connoilles (quénouilles) faictes en l'onneur et exaulcement des dames. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Een derden tekst vindt men achter den beneden, bij no. 26, te noemen druk van het Evangelie van den Spinrocken. Ik laat hier de varianten van dezen tekst (naar het origineel) en daarbij die van Hoffmann's tekst (K, naar zijn afdruk) volgen, met verwaarloozing van alle zuiver typo- en orthographische en grammatische verschillen (G is de door ons herdrukte tekst). (Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. 1899)
• Over het algemeen mist men in dit boekje de systematische verdeelingen en onderverdeelingen, waaraan wij in de tot dusver geraadpleegde werken zoo gewend zijn geraakt. Ook is de volgorde, waarin de hoofdzonden voorkomen, niet de gewone. ‘Leeringen’ en ‘remedien tegen die sonde’ en dgl. wisselen soms de formules af. Behalve den reeds genoemden Adriaan van Utrecht vond ik Gerson, Thomas en andere middeneeuwsche schrijvers geciteerd; ook het ‘evangelie van het spinrokken’. (Anoniem: Des coninx summe. 1907)
• Zo zou ik de stelling dat de gedichten van Anna Bijns meer thuishoren bij de volkspoëzie dan bij de Rederijkers, niet graag voor een academische jury willen verdedigen, net zomin als de idee dat het Evangelie van de Spinrokken eerder zou geschreven zijn door vrouwen dan door mannen. (Leesidee. Jaargang 4. 1998)